LogoAdVanDerHelm

kaarsjes

Verkondiging zesentwintigste zondag door het jaar, 1 oktober 2017

Lezingen
Ezechiël 18, 25-28
Psalm 25
Filippenzen 2, 1-11
Mattheüs 21, 28-32

Welkom
De komende weken spreekt Jezus over de wijngaard. Daar is van alles mis. Jezus verwacht van zijn leerlingen dat zij orde op zaken stellen: niet volgens de wetten van de samenleving, maar volgens de wetten van God. Dan blijkt ineens dat een zondaar goede dingen kan doen en dat mensen op wie je juist vertrouwd hebt, je in de steek laten en niet thuis geven. Van de leerlingen wordt gevraagd daar oog voor te hebben en dus niet allerlei vooroordelen te koesteren. Houd de mogelijkheid van bekering altijd open. Ondanks de slechts reputatie die mensen kunnen hebben, mogen de leerlingen altijd blijven speuren naar tekenen van licht, altijd het goede zoeken in het hart van de ander. Daartoe vieren we de eucharistie, om het goede bij ons allen boven te halen.

Homilie
De parabels van de wijngaard in het 21e hoofdstuk van Mattheüs vertelt Jezus wanneer hij in Jeruzalem is. De spanning is om te snijden: Jeruzalem bereidt zich voor op Pasen. De tempel is iedere dag vol met mensen: big business voor de tempelhandelaren. De schriftgeleerden nemen de kans te baat om hun onderwijzing aan mensen door te geven. Zij weten hoe het hoort. De schriftgeleerden en farizeeën voelen zich verantwoordelijk om de orde in de drukke tempel van Jeruzalem te bewaren. Maar zoals dat vaker gaat met gevestigde machten: die weten precies waar de scheidslijn van goed en kwaad loopt. Die duidelijkheid is handig voor de inrichting van de samenleving.

Jezus laat daarentegen zien dat God met andere ogen kijkt. Hij kijkt recht in het hart van de mens. Daar waar mensen boosheid zien, ziet God de mogelijkheid tot bekering. Daar waar de mensen anderen bejubelen en toejuichen, ziet God hun duistere kant. De wijngaard waar Jezus van spreekt is natuurlijk de tempel zelf. In die tempel gebeurde van alles. Het was niet één gebouw, maar een enorm complex. Een winkelcentrum is er niets bij. Een plein, zuilengangen. Het was een ontmoetingsplek en leerhuis en offerplek en wisselkantoor. Mensen liepen in en uit, mannen en vrouwen. Ook vreemdelingen konden tot op zekere hoogte naar binnen. Dit alles werd geleid door de farizeeën en schriftgeleerden. Te midden van al die drukte vertelde Jezus zijn parabels, om de schriftgeleerden te herinneren aan hun hoge verantwoordelijkheden. Het herinnert mij aan een paar jaar geleden, toen paus Franciscus in Rome de leden van de curie aansprak op hun geestelijke gezondheid. Hij sprak overigens in de wij vorm en het was niet zozeer een aanval, maar veeleer zelfonderzoek ter voorbereiding op het kerstfeest. Later bleek dat nogal wat mensen onder de indruk waren van zijn woorden en die confronterend vonden, maar christenen moeten daar tegen kunnen.

Dat speelt ook in de tweede lezing. Deze past vandaag uitstekend bij de andere twee lezingen. De apostel Paulus pleit voor een persoonlijke levenshouding die zich spiegelt aan Christus. De beroemde Christushymne, het tweede deel van de lezing, is één van de oudste liederen uit het Nieuwe Testament. Het is een spiegel die Christus ons voorhoudt: die nederigheid moet het fundament voor de christengemeenschap zijn. Als we allemaal vooraan willen staan, dan is het evenwicht weg. De tempel staat voor de nieuwe christengemeente, die op haar beurt symbool staat voor de wereld. De christengemeenschap is een oefenschool voor de wereld. Wij willen hier met elkaar een gemeenschap opbouwen waar de houding van Christus zichtbaar en merkbaar is, waar we niet een verzameling ego’s zijn die onze eigen belangen dienen. We proberen dat hier in onze gemeenschap te oefenen. Dat is al ingewikkeld genoeg. Maar we doen dat, opdat we dit in de wereld ook waar kunnen maken. Het gewetensonderzoek dat Jezus ons aanreikt, kan ons helpen een balans te hervinden in ons eigen leven. Natuurlijk zeggen mensen: ik heb Christus niet nodig om het goede te doen, maar dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Kijk de wereld maar rond. Ook daar is de spanning te snijden, zoals in het Jeruzalem van Jezus. Daarom speelt onze geloofsgemeenschap een centrale rol in ons geloof, als oefenplaats, maar ook als bron van hoop omdat we ons eraan kunnen herinneren dat ook in het duister van het kwaad een nieuw begin van goedheid kan ontstaan. We houden hier de mogelijkheid van bekering open en we sluiten geen deuren voor mensen die de verkeerde keuzes gemaakt hebben. Onze geloofsgemeenschap is een huis waar een nieuw begin gemaakt kan worden. Laten we blijven bouwen en ruimte maken voor Gods goedheid, die bij mensen uitgezaaid is. Door onze hoop en ons geloof kan die liefde bij mensen weer groeien. Amen.

Verkondiging Kerkwijding, gedachtenis H. Jacobus, 24 september 2017

Lezingen
Jesaja 56, 1. 6-7
Psalm 83
1 Petrus 2, 4-9
Lucas 19, 1-10

Welkom
Deuren die open staan: zeker bij kerken is dat niet vanzelfsprekend. Gelukkig staan ze vandaag wijd open. Het zijn in onze kerk smalle deuren. Er zijn verschillende redenen die we daarbij kunnen bedenken: binnengaan in de ruimte van God is geen vanzelfsprekende keuze: denk er maar even over na. En kijk naar de figuur die je met open armen ontvangt en tot je spreekt: Ik ben de deur van de schapen. ‘Ostium ovium’ staat er geschreven. Bovendien is de verrassing des te groter: wanneer je de smalle deuren binnen bent gegaan, overkomt je de verrassing van de ruimte die de architect Cuypers heeft gecreëerd. Gelukkig staan de deuren met hulp van een flinke groep vrijwilligers vaak open. Deze dag vieren we kerkwijding en dan willen we de mensen doen ervaren dat we in deze kerk vieren, dat de deuren van Gods barmhartigheid altijd open staan.

Homilie
Afgelopen donderdag sprak br. Thomas Quartier, benedictijn uit Slangenburg, Doetinchem, ons nogal indringend aan. Hij sprak vanuit zijn boek Kiemcellen. Twee elementen wil ik met u delen op deze viering van kerkwijding.

Zijn eerste punt was dat we het religieuze leven moeten ontdoen van zijn romantiek. Dat geldt voor het klooster en evenzeer voor onze geloofsgemeenschap en dit kerkgebouw. Als gasten een kloosterbezoek brengen, worden zij in eerste aanblik geraakt door de vredige sfeer. De rust van de getijden, de vaste basis van de eenvoudige gezangen, de verlichting van het Mariabeeld tijdens de completen. Zo kunnen ook wij geraakt zijn door de rust en de schoonheid van ons kerkgebouw. We willen dat met veel mensen delen, recentelijk met een avondrondleiding, met de uitmarkt en binnenkort museumnacht.

Maar we willen dieper graven dan de romantiek. Het kerkgebouw is geen plek om de harde buitenwereld te ontvluchten. Integendeel, die nemen we mee naar binnen. Sterker nog: we worden opnieuw geconfronteerd met de heinnering aan de kruisdood van Jezus, de moord op onze patroon Jacobus. We zien dit alom tevoorschijn komen in ons kerkgebouw. Het is als een spiegel die we voorgehouden krijgen. Alsof het kerkgebouw tot ons roept: denk niet dat de wereld vredig en veilig is, maar we zijn wel in Gods hand! Dat is het hart van de boodschap die we hier met elkaar delen en vieren in de eucharistie.

Zo is ook het klooster een spiegel voor de wereld en een uitnodiging om de weerbarstigheid van het leven onder ogen te zien. Dat is lastig in een wereld waar alles maakbaar is en velen de illusie koesteren dat we alle ellende kunnen uitschakelen of buitensluiten. Zo is ook het klooster voor de monniken niet een weg om de wereld te ontvluchten, maar om deze wereld met al haar zorgen nog meer te omarmen in gebed en gastvrijheid. Het is als het ware een methode om met de weerbarstigheid van de wereld en het leven om te gaan.

Het tweede punt is de vraag hoe het met ons eigen klooster staat. Dat is niet een klooster dat we bezoeken, maar dat is de ruimte die we in ons persoonlijke leven maken voor ons geloven. Dat is ruimte in tijd en aandacht, dat is ruimte in de concrete tastbare zin: een plek in je huis. Drie pijlers schragen dit klooster: gebed en bezinning en lezen. In het gebed richten we ons tot God. Het is belangrijk een eigen vorm en ritme te vinden en dat in je eigen huis een plek te geven, bij een kaars, een afbeelding. Het helpt om je eigen ziel op orde te brengen. Lezen en bezinnen zijn de andere pijlers. We worden gevoed door wat we tot ons nemen in tijdschriften en artikelen, klein en groot. Ieder kiest het zijne/hare uit. De bezinning is het mijmeren over wat we gehoord hebben: stil voor je uit staren kan al heel verrijkend zijn om woorden en gedachten te laten wortelen en verdiepen. Mgr van Luyn noemde dit ‘van huis uit katholiek zijn’, vanuit je huis, vanuit je agenda, vanuit je dagelijks bestaan. Dan heb je je eigen klooster bij de hand. Dat is je kiemcel: je eigen kern waaruit je leven met kracht ontspruit. Welke plaats neemt dit kerkgebouw in voor je hele leven?

Een vroege vergelijking van de kerk is die van de bijenkorf. We zien in de zesde eeuw al een afbeelding van een heilige bisschop met een kazuifel waar bijen op zijn afgebeeld. Het kazuifel is symbool van de kerk die de bisschop en de priester omhult. Kazuifel staat voor casula, huisje: het is het huis waar de bisschop en de priester als het ware in wonen wanneer zij voorgaan in de eucharistie. Het zijn de gelovigen die als bijen werkzaam zijn. Misschien voor buitenstaanders een drukke bedoening en chaotisch: maar de bijen weten wat hun te doen staat en ze worden gedreven door een innerlijke motor en drijfveer. Ook Augustinus vergelijkt de bezigheden van de gelovigen met die van de bijen: de vrucht van al hun drukke gedoe is de zoetste honing die gezond en voedzaam is. De Bijbel in psalm 19 en 119 vergelijkt Gods woorden met honing: zoeter dan honing is wat komt uit Gods Woord. En als u dan nog hoort dat het Hebreeuwse woord voor ‘bij’ uit dezelfde medeklinkers bestaat als de term ‘woord’, dan snapt u dat we als gelovigen de opdracht hebben om als bijen Gods woord in daden zoeter dan honing om te zetten.

De parochie en onze geloofsgemeenschap van Jacobus als bijenkorf geven ons het beeld van enerzijds druk en actief bezig te zijn, dynamiek, activiteiten, maar wel vanuit een bron, vanuit een kern. Die kern vinden we hier in de viering van de eucharistie, die vinden we in ons persoonlijke gebed, in de ruimte van ons persoonlijke klooster. Dat is onze kiemcel, hier in deze bijenkorf van mensen rondom het mysterie van Gods aanwezigheid. Mogen we ons hier thuis weten in deze bijenkorf van Gods Liefde, liefde die we delen met elkaar en met allen om ons heen. Amen

Verkondiging 23e zondag door het jaar, 10 september 2017

Lezingen
Ezechiël 33, 7-9
Psalm 95
Romeinen 13, 8-10
Mattheüs 18, 15-20

Welkom
Grenzen stellen is een moeilijke opdracht. De profeten en vandaag in het bijzonder Ezechiël zien zichzelf als wachters om de grenzen te stellen aan het gedrag van Israël. Zij voelen zich geroepen om Israël eraan te herinneren wat de weg is die zij moeten gaan. Zij stellen zich op als het sprekende collectieve geweten. Dat is geen prettige functie: mensen worden liever bevestigd dat bekritiseerd. Kritiek kan alleen effect hebben wanneer deze vanuit verbondenheid en liefde wordt gegeven. Daarom spreekt Jezus van de kerk. Hij zal zelf dit woord niet gebruikt hebben, maar het komt eerder uit de mond van zijn leerlingen, die de christengemeenschap opbouwen, maar de boodschap van Christus is helder: alleen binnen een kring van vertrouwen zal de mens kunnen groeien in goedheid en rechtvaardigheid. Mogen wij hier in de kerk, die gebouwd is op het fundament van Christus, die liefde ontvangen die de Vader aan de mensen beloofd heeft.

Homilie
De woorden synagoge en ecclesia hebben veel van elkaar weg. Het een is Hebreeuws en duidt de Joodse plek van samenkomst aan en de ecclesia is de benaming van de christelijke gemeenschap. Beide woorden duiden aan dat gelovigen bij elkaar gebracht worden, zij worden als het ware geroepen om samen te komen. De synagoge is ontstaan in de tijd van de ballingschap toen er geen tempel meer was, omdat die verwoest was: de synagoge was de plek geworden om samen de geschriften te lezen en te bestuderen. De ecclesia is ontstaan om de leerlingen van het evangelie een eigen nieuwe plek te bieden om de tradities van Jezus door te vertellen en het brood te breken, zoals de eucharistie in de oudste bewoordingen heet.

Voor veel buitenstaanders is de ecclesia een lastig onderdeel van geloven. Er wordt haar van alles toegedicht dat vervolgens als argument gebruikt wordt om haar de rug toe te keren. Ik snap dat vaak wel, maar ik probeer uit te leggen dat het wezen van de ecclesia hen dan ontgaat.

Het net gelezen deel van de vierde toespraak van Jezus uit het Mattheüs-evangelie, lijkt op het eerste gezicht een verstandige procedure om met meningsverschillen om te gaan. Een soort mediation: alles uit de kast halen om te voorkomen dat de ecclesia afscheid moet nemen van één van de leden. In dat aspect lijkt het heel modern en herkenbaar. Met de opmerking van Jezus ‘waar er twee of drie in mijn naam bijeen zijn, ben ik in hun midden’ kunnen de meeste mensen wel uit de voeten: het is een geruststelling: je hoeft niet naar de ecclesia te gaan om toch Gods aanwezigheid te ervaren, je kunt het zelf ook ervaren. Toch geloof ik niet dat dit de bedoeling is van de opmerking van Jezus.

In het zinnetje ‘waar er twee of drie in mijn naam bijeen zijn’ schuilt een diep geloof dat de eerste christenen altijd geïnspireerd heeft om zeer warm en ontroerd over de ecclesia te spreken. Het kleine zinnetje is niet bedoeld om het particuliere tot maat te verheffen. Het betekent niet dat als ik samen met een paar vrienden wilde ideeën bedenk voor de samenleving of voor de kerk, daar direct de naam van Jezus achter kan zetten: alsof iedere persoonlijke samenkomst gedragen wordt door Gods Geest.

De samenkomst waar Jezus naar verwijst is de gemeenschap die zich laat voeden door Christus’ naam, die zijn boodschap als maatstaf neemt en de bron vindt in zijn aanwezigheid. Daar begint de kleine ecclesia waar niet het getal de maat is, maar waar de intensiteit van Gods aanwezigheid het wezenskenmerk is. De kerkvaders van de eerste eeuwen beseften heel goed dat het risico van groepjes en gemeenten die het evangelie voor zichzelf gingen claimen en zich beter waanden dan andere gemeenten, een grote bedreiging was voor de eenheid van de ecclesia als levend teken van Christus in de wereld. Zij bouwden de bescheiden ecclesia rondom het geheim van Gods aanwezigheid. Daartoe putten ze uit de woorden van Christus die verteld worden in het evangelie en uit het delen van het Brood en de Wijn als tekenen van Christus’ blijvende aanwezigheid. God is de bron van eenheid en daarom hecht de ecclesia er aan om te belijden dat er maar één God is: vanuit die ene God is de mensheid geroepen om aan de eenheid van de mensheid te bouwen en geen genoegen te nemen met verdeeldheid en ongelijkwaardigheid. Die eenheid wordt zichtbaar in het ene Brood en de ene Beker die de voedingsbron zijn van de ene ecclesia.

De ecclesia is geen organisatie om kerkgebouwen te onderhouden of om het geloof te verkondigen, het is geen sociologisch instrument om het evangelie zichtbaar te maken in de wereld. De ecclesia is het geroepen zijn door God om zich aan elkaar te verbinden in de Geest van Christus. Het vieren van de eucharistie is de beweging van het horen van de roepstem en het antwoorden op die roeping. Het is de beweging van het zichzelf aanbieden aan de boodschap van het Koninkrijk en vervolgens in de communie het Brood ontvangen dat teken is van de Liefde van Christus die ons voedt op deze levensweg en in deze toewijding aan het Koninkrijk.

Als er meningsverschillen opgelost moeten worden zoals Jezus in zijn tekst van vandaag beschrijft, kan dat alleen in het licht van Gods koninkrijk waar wij allen dienstbaar aan zijn. Dan gaat het niet om compromissen sluiten zoals bij formatiebesprekingen, maar om het luisteren naar wat de Geest tot de ecclesia zegt en tot de mensen van deze ecclesia.

U merkt dat ik in deze homilie blijf spreken van ecclesia: ik doe dat om aan te geven dat er meer in de kerk is dan we meestal beseffen. Wij zijn geroepen om samen te komen, juist hier ervaren we de kracht van de Geest die we meenemen in ons dagelijks leven. We hebben die hard nodig om getuigen te zijn. We vormen niet allemaal losse clubjes en groepen die onze eigen mening als de ware boodschap claimen. De ecclesia, de kerk houdt de stem van Christus in ons hart levend en doet ons beseffen dat we onderdeel zijn van de grote wereldwijde ecclesia, die we katholiek noemen in de zin dat iedereen door God geroepen is om zijn of haar rol te spelen in de komst van het koninkrijk dat God beloofd heeft. Mogen wij altijd de verbondenheid met God ervaren in onze kerk, onze ecclesia, ons samengeroepen zijn. Amen.