LogoAdVanDerHelm

kaarsjes

Verkondiging 9 februari 2014, vijfde zondag door het jaar

Lezingen
Jesaja 58, 7-10
Psalm 24
1 Korinthiërs 2, 1-5
Mattheüs 5, 13-16

Welkom
Vorige week hebben we de kaarsen gezegend en hebben we een lichtprocessie gehouden. Vandaag roept Jezus ons op dat licht op de kandelaar te zetten opdat de wereld het kan zien. Dat licht herinnert de wereld aan Gods goedheid en aan zijn scheppingskracht. Dat kunnen we vandaag goed gebruiken op deze sombere dag. Het licht wijst ons een goede weg en kan ook alle andere somberheid uit ons leven verdrijven.

Durven wij het aan dat licht aan de wereld te tonen of houden we het liever voor onszelf? Niet iedereen zal het direct herkennen en niet iedereen zal het direct aanvaarden. Wij zijn getuigen van dit licht dat in de wereld gekomen is en iedere mens kan verlichten, om te beginnen onszelf. Daarom zijn we hier: om dit licht weer te ontvangen en te versterken. Voor al die keren dat we dat niet deden en niet trouw waren ons doopsel, bidden we om vergeving en daartoe bidden we om zegen over dit water.

Homilie
Het eerste goud is binnen. De schaatsers hebben hun best gedaan en gelijk op de eerste dag het podium gevuld voor de 5000 m. Schaatsen is een specialiteit van Nederland en dat is ook nu weer gebleken bij de spelen van Sotsji. Op die kwaliteiten wordt hoog ingezet en de verwachtingen zijn hoog. Mensen hopen op nog meer medailles.

Tussen de vele atleten zijn er smaakmakers die niet alleen door hun sportieve prestaties, maar ook door hun karakter en hun sportieve opstelling het verschil maken. De spelen zijn in mijn ogen bedoeld als een oefenschool voor mensen die het beste van zichzelf inzetten en dat niet alleen voor zichzelf, maar evenzeer voor het grotere geheel, voor het eigen land, maar ook voor het gehele toernooi opdat het een spektakel van onderlinge waardering is. Dat zijn de hoogste kwaliteiten waar echter geen gouden medailles voor bestaan, zoals in de klassieke tijd de Spelen bedoeld waren om politieke controverses even te laten rusten. Op die manier kunnen sporters politici een lesje leren: zo kan het ook: je probeert het beste uit jezelf te halen, maar uiteindelijk gaat dat - ondanks de medailleverdeling – niet ten koste van de anderen, want de Spelen vormen ook het gemeenschappelijke doel van allen die daarbij betrokken zijn. Maar ik geef toe dat dit ideaal beeld verre van gedeeld wordt.

Jezus spreekt de leerlingen ook aan op hun kwaliteiten: “jullie zijn het zout der aarde.” Jullie zijn de smaakmakers van de samenleving. Jullie hebben de opdracht om smaak en pit aan de wereld te geven waar je leeft.

Deze pretentie van de Bergrede is hoog: het lijkt alsof Jezus zegt dat de kwaliteit van de wereld af hangt van zijn leerlingen en dat zij, als zij deze bijdrage aan de samenleving niet waarmaken, waardeloos worden. Smakeloos zout wordt weggegooid en vertrapt. Deze hoge pretentie maakt ons ongemakkelijk. Wat hebben christenen immers door de eeuwen heen met die opdracht gedaan? Wat doen christenen in onze tijd met die opdracht?

Christenen dienen zich niet te verschuilen achter anderen en de fouten van anderen te gebruiken om zelf geen keuze te maken of hun geloof niet serieus te nemen. Christus spreekt ieder van ons aan op onze mogelijkheden om zout te zijn en van het leven dat soms grijs of moeizaam kan zijn, een smaakvol gebeuren te maken.

Jezus legt de lat hoog en door de eeuwen heen hebben de kerk en de christenen daar mee geworsteld. Zij voelen de opdracht van Jezus, maar weten niet direct hoe zij die gestalte kunnen geven in een wereld die soms vijandig is en soms op grote afstand van dit evangelie staat. In het evangelie is er sprake van een nieuw leven dat door de leerlingen gekozen wordt. De christenen hebben de wereld iets te bieden vanuit dat nieuwe leven. De fundamentele vraag is of christenen volgend of leidend zijn. Dienen zij zich aan te sluiten bij de tijd waarin zij leven of dienen zij juist iets toe te voegen aan die tijd en die wereld?

Paulus spoort de christenen aan om het nieuwe van het geloof uit te dragen en zelf van daaruit te leven. Hij maakt voorts duidelijk dat een christen zich ook niet kan verschuilen achter zijn zwakheid. Hij kan niet zeggen: ik ben tot niets in staat. Hij/zij draagt immers de boodschap van het evangelie zelf met zich mee en het risico van een bange en aarzelende christen is dat het evangelie niet meer ter sprake komt. Dan wordt er over van alles gesproken: de tekorten van de kerken, de fouten van de pastores, de zwakheid van de gelovigen, maar het evangelie komt dan niet meer ter sprake, terwijl juist daar de kracht van ons geloven ligt. Dat is het licht dat op de kandelaar geplaatst moet worden.

Net als bij de Olympische spelen kan het in de kerk gebeuren dat mensen de oorspronkelijke bedoeling en betekenis van de kerk uit het oog verliezen. Zij is de kandelaar van het licht van Christus dat de wereld een nieuwe richting kan geven en mensen kan herinneren aan hun opdracht tot onderlinge barmhartigheid en naastenliefde. Laten wij in ons eigen leven en spreken en handelen steeds dat licht voor ogen hebben en op de kandelaar van ons eigen leven zetten, opdat wij voor de wereld smaakmakers kunnen zijn.

Amen