LogoAdVanDerHelm

kaarsjes

Verkondiging 26e zondag door het jaar, 30 september 2018

Lezingen
Numeri 11, 25-29
Psalm 19
Jacobus 5, 1-6
Marcus 9, 38-43.45-48

Welkom
Van harte welkom in deze viering. Bent u er klaar voor? We zullen de Geest ontvangen! In de Bijbelse lezingen van vandaag horen we dat buiten Mozes en Jezus andere mensen vervuld van Gods Geest het evangelie verkondigen en aan zieken de handen opleggen. Mozes heeft een beroep op God gedaan om de lasten voor het volk te delen met een groep van zeventig lieden. Dat betekent dat er vertrouwen moet zijn in wat de Geest bij mensen bewerkt. Dus, bent u er klaar voor? Het vieren van de eucharistie en het delen van het lichaam van Christus, betekent dat we delen in zijn Geestkracht opdat we die zelf doorgeven aan de wereld. Als we elkaar straks de hand reiken in de vredewens, dan denken we aan de handoplegging door Mozes: we geven elkaar die vrede door opdat die ook doorgaat de wereld in. Als we straks het Brood ontvangen zal de Geest van Christus zelf in ons wonen.

Homilie
De zorg van het boek Numeri is de eenheid van het volk. Letterlijk betekent de titel van dit vierde boek van de Bijbel ‘aantallen’. Er zijn namelijk verschillende tellingen in dit boek. Het speelt zich af in de tijd na de uittocht en is op basis van oude traditionele verhalen opgeschreven in de tijd na de ballingschap, dus zo’n duizend jaar later pas. Numeri is de Latijnse benaming die het bij Hiëronymus draagt. Hij heeft zijn vertaling eind vierde, begin vijfde eeuw gemaakt. In de oorspronkelijk Hebreeuwse tekst heet het boek ‘in de wildernis’. Deze wildernis is natuurlijk de woestijn waarin het volk zich bevindt na het vertrek uit Egypte naar het beloofde land. De benaming ‘wildernis’ verwijst niet alleen naar de geografische woestijn, maar evenzeer naar de geestelijke en spirituele woestijn waarin het volk terecht gekomen is. De tijd van de ballingschap, toen het boek opgetekend werd, is net zo’n dorre tijd geweest: een tijd van crisis waarbij het volk zich opnieuw moest ontdekken en opbouwen en dus teruggreep op de bronnen van geloof.

Tijden van crisis zijn het volk van God niet vreemd, niet in het Oude Testament en niet voor de apostelen en ook niet voor ons. In tijden van crisis wordt het volk geroepen om de eenheid te bewaren en extra krachten daartoe aan te boren. We zoeken dan niet versmalling, maar juist verbreding van de basis van ons geloof en onze kerk.

Mozes doet een beroep op zeventig mensen uit het volk om met hem leiding te geven. Ze hebben een tijd lang de profetische taak van Mozes op zich genomen. Uit het feit dat twee lieden buiten die groep profeteren blijkt dat deze gave van de Geest overvloedig is en niet te snel moet worden ingeperkt of ingepakt of besloten in strakke institutionele criteria. Jozua wil hen de mond snoeren, maar Mozes maakt duidelijk dat alle krachten binnen het volk ingezet mogen worden. De namen van de twee, Eldad en Medad, lijken te verwijzen naar de liefde voor God, dus wat kan er fout zijn aan hun profeteren!

Op dezelfde manier is Jezus ook blij met de mensen die buiten de kring van de apostelen het kwade verdrijven en mensen bevrijden van boze krachten. Jezus herkent zich niet in de negatieve houding van Johannes die hun het zwijgen wil opleggen. Integendeel: laat die goede krachten begaan, want ze zullen ook hun bijdrage aan het koninkrijk kunnen leveren.

Dat inzicht heeft onze kerk herondekt in het tweede Vaticaanse concilie: de kerk is een gemeenschap van mensen die door de Geest geroepen zijn om het evangelie te verkondigen. Die taak is niet beperkt tot de clerus. Het doopsel en vormsel zijn evengoed het fundament van onze bijdrage aan Gods Koninkrijk. Die verkondiging heeft vele vormen: mensen doen dit in gebed, in vrijwilligerswerk, in ieders getuigenis over hun geloof en de kerk, in hun professionele verantwoordelijkheden. Geloof en leven zijn niet te scheiden van elkaar. En zelfs daarbuiten werkt de Geest. Johannes XXIII sprak de mensen aan op hun goede wil. Hij richtte zijn pauselijke schrijven ook aan mensen buiten de kerk, aan alle mensen van goede wil. De pausen na hem hebben dat overgenomen.

De crisis waarin het volk verkeerde in de woestijn, de wildernis, maakt nieuwe krachten los. Zo biedt een crisis nieuwe mogelijkheden, maar we moeten die ook aangrijpen. Zo is ook de crisis die we nu meemaken en die te maken heeft met pijn en verdriet en teleurstelling, ook een kans om nieuwe krachten aan te boren en meer mensen van goede wil bij het werk van het koninkrijk te betrekken. Dat vraagt ook zorgvuldigheid: waar van die taken misbruik wordt gemaakt, daar zal opgetreden moeten worden. Die waarschuwing van Jezus is zeer streng: een radicale keuze om het kwade uit onze gemeenschap weg te doen is het enige antwoord dat past, vooral als de kleinen en kwetsbaren in het geding zijn.

Maar laten we als kerkgemeenschap ruimte maken voor de Geest die in ons leeft en samen de weg van het evangelie gaan en profeteren dat God barmhartig is. We laten dit niet over aan een elite of aan een clerus alleen, maar wij allen kunnen van die God spreken die de vreugde van ons hart is en die ons in Jezus Christus de weg van de liefde getoond heeft. Amen