LogoAdVanDerHelm

kaarsjes

Verkondiging 24 februari 2019, 7e zondag door het jaar

Lezingen
1 Samuël 26, 2.7-9.12-13.22-23
Psalm 103
1 Korinthe 15, 45-49
Lucas 6, 27-38

Welkom
Op deze zondag horen we Jezus zijn toespraak vervolgen. Hij houdt ons een spiegel voor: we zien hoe ver de wereld en ook onze kerk verwijderd zijn van de wereld die Jezus verkondigt. De bisschoppen, die tot en met vandaag in Rome verzameld zijn, worden geconfronteerd met het kwaad dat in mensen in de kerk binnengedrongen is. We zijn met hen in gebed verbonden en bidden dat er recht gedaan wordt en dat er effectieve maatregelen genomen worden, zoals op een aantal plekken al gedaan is. Laten we ons bezinnen op de opdracht die Jezus ons voorhoudt. Laten wij daarbij niet eerst naar anderen kijken, maar eerst naar onszelf.

Homilie
Terwijl in Rome vandaag de conferentie over het misbruik in de kerk afgesloten wordt, denken wij hier verder na over onze houding ten opzichte van het kwaad. Het vervolg van de grote toespraak van Jezus laat zien dat er veel van ons gevraagd wordt. Het lijkt bovenmenselijk te zijn wat Jezus vraagt: je vijanden, de mens die jij haat, liefhebben; wanneer er iets van jou afgenomen is, zul je dat niet terugeisen; je zult iemand de andere wang toe keren, als die je geslagen heeft. Bovenmenselijk, toch is dit deel van het christelijk leven door niet-christen vaak aangeduid als het onmisbare hart van het christelijk geloof. Als christenen in staat zijn tot wat Jezus, de leraar, ons voorhoudt, dan is het inderdaad een uitzonderlijke godsdienst en een buitengewoon hoge ethiek. Mahatma Gandhi, de leraar bij uitstek van de geweldloosheid, werd hier enorm door geïnspireerd. Voor hem gaf Jezus in deze tekst een concreet antwoord op het kwaad in de wereld.

Het kwaad is niet abstract, maar heeft een gezicht: we herkennen de gezichten van daders van misbruik, gezichten van mensen die gewelddadig zijn, de gezichten van mensen die hun landen in oorlog storten, mensen die hun land in een crisis storten terwijl zij zich vastklampen aan de macht. Misschien zijn er voor ons persoonlijk gezichten van mensen die in ons leven een kwade herinnering oproepen, of mensen die herinneren aan geweld en ander leed dat ons aangedaan is. Dan zijn er de gezichten van mensen in kerk die anderen hebben beschadigd.

Jezus nodigt ons dus uit om het kwaad in het gezicht te kijken en het niet uit de weg te gaan. Het kwaad is geen onpersoonlijk mechanisme dat op ongrijpbare wijze in ons leven inbreekt. Het kwaad wordt duidelijk door concrete gebeurtenissen en ontmoetingen. Welke beslissing neemt een mens op een cruciaal moment wanneer dat kwaad in zijn/haar leven opduikt? Waar laat een mens zich dan door leiden? Door haat en rancune, of zijn er mogelijkheden tot verzoening?

Het concrete verhaal van David en Saul is een voorbeeld van grootmoedigheid die de spiraal van haat en geweld doorbreekt. David kan Saul vermoorden (een verhaal dat overigens twee maal wordt verteld in verschillende versies), maar wil de hand niet slaan aan de gezalfde des Heren, de koning, ook al is daar alle reden toe. David is misschien niet helemaal zuiver: hij laat immers op deze manier zien dat hij mijlenver uitsteekt boven zijn tegenstander en dus een geschiktere koning is dan Saul. Maar als we kijken naar het moment zelf, geeft David blijk van een houding waarbij hij zich niet laat leiden door platte en banale gevoelens van boosheid en verontwaardiging en de zwakheid van Saul niet misbruikt.

Zijn wij als mensen tot zo’n houding in staat? Paulus spreekt vandaag over de consequenties van ons verrijzenisgeloof. Als u de Bijbelse lezingen van de zondag een beetje bijhoudt, dan weet u dat deze weken uit de eerste brief aan de christenen in Korinthe wordt gelezen, geen eenvoudige tekst. In het denken over de verrijzenis gaat het Paulus niet zozeer om de vraag of de verrijzenis nu wel of niet een historisch feit is, maar het gaat hem vooral om de manier waarop die verrijzenis ons leven verandert en ons bestaan vernieuwt. Door de verrijzenis is de mens in staat gesteld om als een hemels mens te leven. Wij zijn aards, met alle aardse gebreken van dien: de zondigheid die we niemand hoeven te verwijten omdat wij allen daarin delen. In de tekst van vandaag stelt Paulus de aardse mens, de Adam, tegenover de Christus. De eerste mens is de mens die uit het aardse stof is geschapen en die de verleiding kent om zich door dat niveau van bestaan te laten leiden. De tweede mens is de Christus die een andere weg kiest: Hij gaat de weg van de liefde en houdt dat ook vol in de confrontatie van het lijden en het kruis. Ook dan klinkt er geen woord van boosheid of wraak; slechts vergeving en verzoening zijn hoorbaar in die woorden die we beluisteren van Jezus aan het kruis. Hij is opgestaan en dat biedt ons de mogelijkheid om ook als de Christus te leven en dat andere niveau in ons bestaan aan te spreken, het hemelse niveau zoals Paulus dat noemt.

Daartoe worden we in deze tijd opgeroepen, een tijd waarin de wereld uit elkaar valt, waarbij ook de kerk soms uit elkaar lijkt te vallen. Kiezen we dan in ons spreken en handelen om te verbinden en te helen, om te herstellen en mensen weer bij elkaar te brengen? Dat is de houding die Jezus bepleit in het evangelie volgens Lucas. We wenden ons af van die gezichten van het kwaad en tonen een ander gelaat aan de mensheid. Het doel is dan niet om zelf boven de anderen uit te willen steken, als zouden wij moreel hoger staan, quod non, maar om een weg van herstel te bieden aan de samenleving waar mensen heling en vergeving vinden, waar mensen een andere taal horen dan de banaliteit van verontwaardiging en boosheid. Hier heerst een andere Geest. Laten we die Geest meenemen naar ons eigen huis en ons eigen hart. Amen