LogoAdVanDerHelm

kaarsjes

Verkondiging 3 maart 2019, 8e zondag door het jaar

Lezingen
Jezus Sirach 27, 4-7
Psalm 92
1 Korinthe 15, 54-58
Lucas 6, 39-45

Welkom
Het laatste weekeinde voor het begin van de veertigdaagse vasten heeft als thema de spanning tussen de binnenkant en de buitenkant van de mens. Mensen doen zich met Carnaval graag anders voor dan ze zijn, maar misschien komt deze verhulling wel dichter bij wie ze echt zijn of willen zijn. Carnaval is soms een zeer serieus spel. Jezus houdt ons vandaag in zijn toespreek weer een spiegel voor: de vergelijking tussen de balk en de splinter is overbekend, maar voortdurend vallen we in die valkuil. Laten we ons bezinnen op onze omgang met elkaar. In navolging van de eerste lezing, zullen we vooral nadenken over het spreken over elkaar. Laten we aan het begin van de viering een moment stil zijn om na te denken over woorden die we tot elkaar spreken; misschien zijn er wel woorden bij waar we spijt van hebben.

Homilie
“Het zijn maar woorden”. Dit klinkt vergoelijkend, wanneer iemand beledigd wordt of wanneer over iemand beschuldigend en beschadigend gesproken wordt. Woorden kun je laten vervliegen en links laten liggen. Bij geschreven woorden is dat moeilijker. Wanneer er scherp en negatief over mensen gesproken of geschreven wordt om hen persoonlijk aan te vallen, kan het goed zijn om dit te relativeren. Er is ongetwijfeld reden om slecht over de katholieke kerk te schrijven en over sommige van haar geestelijken. Soms is er echt een reden, soms weerspiegelt dit spreken andere motieven en andere achtergronden die minder eerlijk en oprecht zijn. Het is niet altijd gemakkelijk om woorden en de motieven ervan helder te onderscheiden. Niet alles wat op hoge toon gezegd wordt, hoeven we tot ons te nemen. Ook ons eigen spreken en schrijven moeten we onderzoeken. Want ongetwijfeld zijn niet al onze woorden over anderen altijd terecht of eerlijk. De lezingen roepen ons vandaag op om dit eigen spreken te onderzoeken. Ons spreken onthult immers welke schat we in ons innerlijk meedragen. Welke schat is dat? Aan de vruchten herken je de boom en aan het spreken kun je het innerlijk van de mens herkennen. Ook in ons eigen hart zit natuurlijk graan en kaf en we dienen ons eigen hart, onze eigen innerlijke schat te onderzoeken. Wat treffen we daar aan? Wat is het hart van ons leven, van ons mens-zijn en van ons christen-zijn? Wat inspireert ons om christen te zijn? Wie inspireert ons daarbij? Wat hebben we daadwerkelijk nodig om die schat te versterken? En wat kunnen we beter loslaten? Straks begint de veertigdagentijd en dat mag een intensieve tijd van eerlijke groei zijn. Waardoor wordt ons innerlijk verarmd en verschraald en waardoor wordt het verrijkt? Gebruiken we voldoende bronnen om dit innerlijk te verrijken?

De teksten van de toespraak van Jezus en ook de verzen van zijn naamgenoot, Jezus ben Sirach, maken duidelijk dat onze woorden onthullen waarvan ons innerlijk vervuld is. Jezus ben Sirach was een tekstverzamelaar uit de tweede eeuw voor onze jaartelling. Hij leefde waarschijnlijk in Jeruzalem. Hij putte uit de wijsheidstraditie en wilde daarmee de mensen van zijn tijd wapenen tegen de opkomende cultuur van de Griekse wereld. De Griekse wereld was niet geworteld in de gedachte van een bevrijdende God. Voor Jezus ben Sirach was de bron van de mens het verbond met de eeuwige God die de mens bevrijdt van slavernij; dat is een innerlijke bron die ook het spreken van de mens beïnvloedt. Getuigt je spreken van die innerlijke bron, weerspiegelt je spreken van het vertrouwen in die eeuwige bevrijdende God van Liefde? Als we de boodschap van Paulus uit de tweede lezing hierbij betrekken, die voortborduurt op het thema van de verrijzenis, dan kun je zeggen dat de verrijzenis het hart van ons geloven is, de kern van ons innerlijk: wij zijn vergankelijke mensen, maar onze kern is de onvergankelijke liefde van God die ons met het doopsel geschonken is. Ook al wordt ons leven bepaald door de vergankelijkheid, we dragen het leven van Christus nu al in ons mee.

Onze roeping en onze opdracht is om in ons spreken en natuurlijk meer nog, ons handelen, van die verrijzenis, van het nieuwe leven te getuigen. Dat betekent dat het kwaad niet het laatste woord heeft over de mens, dat ook een slecht mens nooit aan het kwaad overgeleverd wordt, dat er altijd ruimte is voor een nieuw begin, dat iedereen recht heeft op bekering en genezing. De verrijzenis gaat niet alleen over onze opstanding na de dood, maar ook over de nieuwe mens die in Christus zichtbaar is. Kan ons leven die nieuwe mens weerspiegelen? Is ons spreken en ons handelen gericht op die nieuwe mens? Of houden we vast aan de oude mens?

De psalm nodigt ons uit om God te loven. Die lofprijzing verheft de mens en geeft een breder en ruimer perspectief op de mens zelf. Als er kwaad gesproken wordt, als onze samenleving bol staat van negatieve berichten, kan de lofprijzing van God ons helpen om Hem niet uit het zicht te verliezen en onze wereld en onze werkelijkheid te blijven zien als een geschenk uit zijn hand. Hij zal toch niet het werk van zijn handen verloren laten gaan? Laten we daarom in ons spreken en handelen getuigen van dat vertrouwen. Dan zullen onze inspanningen niet tevergeefs zijn. Amen