LogoAdVanDerHelm

kaarsjes

Verkondiging 17 februari 2019, 6e zondag door het jaar

Lezingen
Jeremia 17, 5-8
Psalm 1
1 Corinthe 15, 12.16-20
Lucas 6, 17.20-26

Welkom
Keuzes maken we voortdurend: kleine keuzes van iedere dag, grotere keuzes waarvan we de gevolgen nog wel een tijdje zullen merken en keuzes waarvan we hopen dat die voor het leven zijn. Het evangelie wil ons eraan herinneren dat keuzes nooit vrijblijvend zijn en dat we onderscheidingsvermogen nodig hebben, een delicaat proces dat zich in de stilte van ons hart afspeelt en als het goed is ondersteund wordt door vrienden en anderen die ons adviseren en inspireren.

De spiegel die Jezus ons vandaag voorhoudt en die ons herinnert aan de Bergrede, vraagt ons in welk kamp we staan. Het herinnert ons ook aan de richting van ons geloof: niet op onszelf gericht of op bescherming van onze belangen, maar gericht op het evangelie als instrument en als weg om de samenleving de goede richting in te helpen. Het wordt ons deze week niet gemakkelijk gemaakt om trouw te blijven, vanwege allerlei onthullingen over het Vaticaan. Juist dan is het essentieel om de kracht van je eigen geloof aan te boren. Laten we goed luisteren naar psalm 1, de tussenzang van vandaag.

Homilie
Deze psalm wordt algemeen beschouwd als een ouverture voor het hele psalmenboek. De mens (we kunnen hier de man lezen als m/v) zoekt een weg van rechtvaardigheid. In de psalmen voelt hij/ zij zich vaak bedreigd. Soms komt die bedreiging door wat er gebeurt: achtervolgingen, valse beschuldigingen, aanvallen. Het zijn dramatische situaties die hem treffen. De mens klaagt en roept en voelt zich verlaten en niet altijd gehoord. Duisternis en fysieke pijn zijn z’n deel. Soms is er een bedreiging door wat er in hem/haarzelf omgaat: gevoelens van onzekerheid, van onwaardigheid, van tekortschieten. Hoe eerlijk ben ik eigenlijk? Soms is er twijfel aan de eigen persoon.

20190217 FotoBeeld“Ik ontken mijn schuld niet. Ik ben mij bewust van mijn traagheid en mijn nalatigheid. Nu ik mijn fout beken, zal de barmhartige Rechter mij misschien vergiffenis schenken”. Dit is een citaat uit een preek van Paus Gregorius de Grote uit de zesde eeuw. Het zou mooi zijn als kerkleiders van onze tijd ook eens iets dergelijks durven erkennen in een preek. Hij is geroepen om wachter van de kerk en de samenleving te zijn, maar hij voelt zich zwak en kwetsbaar. Hij wordt gedwongen maatregelen te nemen die niet echt in overeenstemming zijn met evangelische barmhartigheid en zijn eigen monastieke roeping (de paus was op de eerste plaats monnik). Hij moet strenger zijn dan hij wil, maar hij kan niet anders.

Hij beschrijft hoe hij geconfronteerd wordt met mensen die aan de buitenkant scherpzinnig lijken te zijn, van God vervuld lijken te zijn, bekleed met Gods genade, maar innerlijk leeg. Van buiten lijken ze zich ervan bewust dat er bepaalde goddelijke geheimen te kennen zijn, maar ze proeven innerlijk de zoetheid er van niet. Tegen die mensen moet Gregorius streng optreden. Mensen, ook in de kerk, spreken met overtuiging en toch leven ze niet in overeenstemming met deze woorden en met het Evangelie van Christus. De berichten over de kerk van dit weekeinde, die komende week weer over ons heen zullen komen, weerspiegelen dit aloude probleem dat al in de zesde eeuw door Gregorius werd herkend. Niet voor niets noemt de traditie hem een grote paus.

Deze berichten mogen akelig zijn, maar het is nodig om de kerk te hervormen en te vernieuwen. Het vraagt van ons grote trouw aan Paus Franciscus die volgens mij de juiste persoon is om dit hervormingsproces te leiden. Mensen herinneren zich het strenge gewetensonderzoek aan het adres van de Romeinse Curie enkele jaren geleden (2014) dat paus Franciscus vlak voor Kerstmis uitsprak. Het blijkt nog zeer actueel en zeer urgent te zijn. De criticasters – die zijn in Rome, maar ook dichterbij te vinden – van de paus hebben vaak zeer veel boter op hun hoofd.

Terug naar psalm 1. In veel psalmen gloort een moment van vertrouwen. De psalm wil ons de vraag stellen, waar we nu onze bronnen van geloof vinden. In psalmen is een beweging te zien van wanhoop naar overgave en een nieuwe toewijding. De psalm kan op die manier de biddende mens die uit wanhoop aan een psalm begint, meenemen. Door het bidden van zulke psalmen, groeit de weerbaarheid en gloort er nieuw geloof en vertrouwen. Zelfs in de dramatische psalm 22 die we van Goede Vrijdag kennen – “God mijn God waarom hebt u mij verlaten?“ – klinkt aan het eind het vertrouwen door dat de stem van Gods lof niet zal verstommen en dat er nieuwe manieren komen om de boodschap van Gods liefde te doen klinken.

Eigenlijk is de boodschap: welk akelig gedrag mensen ook vertonen, het evangelie blijft ons baken om op georiënteerd te blijven. Psalm 1 leidt ons de weg naar de vraag: wat voedt ons geloof? Niet tussen de spotters gaan zitten, niet meedoen met de klagende lieden die de boosheid van anderen aanwijzen. Dat helpt niet. Als gelovige mensen richten we ons op de opdracht van het evangelie. De vier zaligsprekingen van Lucas (bescheidener dan die van Mattheüs) bemoedigen ons indien we ons arm van geloof voelen, hongerig naar gerechtigheid en verlangend naar een nieuwe kerk, treurend om de berichten, wanneer we door de samenleving belachelijk worden gemaakt.

De werkelijke schat van ons geloof is het evangelie dat ons er toe aanzet om vruchten van het evangelie te dragen. Als wij trouw kunnen blijven aan dat evangelie en binnen onze geloofsgemeenschap van de parochie dat vorm kunnen geven, kunnen we ook in onrustige tijden een profetische stem van geloof zijn. Ik wens ons allen daarbij kracht en inspiratie van de heilige Geest op voorspraak van Gregorius de Grote. Amen

Verkondiging 10 februari 2019, 5e zondag door het jaar

Lezingen
Jesaja 6, 1-2ª.3-8
Psalm 138
1 Corinthe 15, 1-11
Lucas 5, 1-11

Welkom
In deze viering lopen de dramatische verhalen uit op een roeping en een opdracht. Zowel de profeet als Petrus voelen zich onwaardig om de opdracht van God en van Jezus te beantwoorden. Toch is er geen ontkomen aan: zij hebben het woord gehoord en zullen dat bewaren en zij laten zich door dat woord voortdurend inspireren en worden leerlingen van dat woord. Dat is het fundament van hun levenswijze: vóór alles zijn zij leerlingen van het woord. Ook wij komen weer om het woord te horen en ons door de verhalen te laten inspireren. Voelen ook wij ons geroepen? Wat is dan die roeping? We vernieuwen ons doopsel met de zegening en besprenkeling van het doopwater.

Homilie
Soms moet je je hart laten spreken. We kunnen voor dilemma’s staan en afwegingen maken die we nogal rationeel willen maken. Ga ik wel die nieuwe baan nemen, ga ik wel met die persoon verder door het leven, ga ik me inderdaad aan dat project wijden? Wanneer een appèl op ons gedaan wordt, zullen we er goed over nadenken voor we daarop ingaan.

Wie de verhalen van vandaag leest, van Jesaja en Petrus, merkt dat er van rationele afwegingen weinig sprake is: het is een spontane reactie die recht uit het hart komt. Beide mensen voelen zich onwaardig om op de vraag in te gaan, maar uiteindelijk laten zij zich meevoeren door het appel en woorden. De uitnodiging verandert hun leven, maar ook hun kijk op zichzelf: het gevoel van onwaardigheid leidt niet tot apathie en passiviteit, maar het is het startpunt van nieuw elan, een nieuw leven. 

Rationele afwegingen zijn een beperking van de mens: zalig de mens die zijn/haar leven laat verrijken door de roepstem die in het leven klinkt. De Russische schrijver Dostojewski getuigt zelf van een grote ommekeer die hij doorgemaakt heeft. Hij was elitair opgevoed en behoorde tot de bovenlaag van de Russisch samenleving. Zoals in de elite gebruikelijk was, werd hij goed opgevoed en dat was in zijn tijd in de geest van het rationalisme: “ik denk dus ik ben.” Het denken was het meest eigene van de mens dat hem onderscheidt van de andere schepselen. Ook Dostojewski kwam in wat hij het web van het denken noemt: de werkelijkheid is iets om te begrijpen, om in de greep te krijgen. Maar dan ontstaat er een drama in zijn leven: hij raakt betrokken bij een complot en wordt ter dood veroordeeld. In het Rusland van die tijd was je je leven niet zeker. Op dat moment realiseert hij zich: “ik heb nog niet geleefd”. Hij beseft op het moment dat zijn leven aan een zijden draadje hangt, dat hij nog geen besef heeft van wat leven betekent. De executie wordt afgeblazen en er begint een nieuw leven voor hem en hij bekijkt de werkelijkheid met andere ogen: tot dan toe was zijn leven slechts stucwerk, zoals ook Paulus dat benoemt in zijn beroemde Hooglied van de liefde. In dat nieuwe leven komt een creatieve en artistieke schrijver tevoorschijn die ons een enorm oeuvre heeft nagelaten, dat ons inspireert om het geloof een plek te geven in het leven.

Het leven is niet op de eerste plaats begrijpen, maar ontvangen. In ons leven gebeurt veel dat we nooit zullen kunnen begrijpen. Dat betreft ons eigen leven en dat van onze dierbaren om ons heen, maar ook in de ruimere wereld waar we de ontwikkelingen niet altijd kunnen begrijpen en zeker niet aanvaarden. Dostojewski noemt zichzelf blind zolang hij het leven niet als een geschenk kan zien. Uiteindelijk kiest hij voor een houding van overgave omdat hij weet dat het leven een bestemming heeft en dat we in Gods hand zijn. Ook die God moeten we niet proberen te beheersen en te begrijpen. Ook hier speelt het voorbeeld van Petrus die wil begrijpen, maar door Jezus wordt uitgedaagd om het over een andere boeg te gooien. Op zich een zinloos advies: gooi je netten uit aan andere kant. Aan de andere kant zit heus niet meer vis. Het verhaal gaat echter niet over de vis, het gaat over de mens die de netten uitgooit. Petrus wordt uitgenodigd door Jezus om zijn leven en zijn beslissingen op een andere manier te bekijken: niet als het resultaat van rationale afwegingen alleen, maar als het antwoord op een roepstem.

Ons leven is in gesprek zijn. We zijn voortdurend in gesprek: met je eigen innerlijk, je eigen geweten: is het verstandig als ik dit wel of niet doe? We zijn ook in gesprek met de mensen om ons heen die een appèl op ons doen. Mensen die ons iets hebben te brengen of te vragen. In die dialoog wordt duidelijk wie wij zelf ook zijn. We zijn ook in gesprek met de Eeuwige die zich soms aan ons laat zien in een ervaring, in een woord, een viering of een gesprek. Hij nodigt ons uit om ons hart te laten spreken en dat spoor te volgen. Als we die roeping verstaan, geven we misschien ruimte aan een nieuwe manier van leven voor ons zelf. Amen

Verkondiging 3 februari, 2019, 4e zondag door het jaar

Lezingen
Jeremia 1,4-5.17-19
Psalm 71
1 Corinthe 12, 31-13, 13
Lucas 4, 21-30

Welkom
In onze kennismaking met Jezus aan het begin van Lucas komt vandaag de reikwijdte van het evangelie aan de orde. Die gaat boven de grenzen van het dorp Nazareth uit. Terwijl de inwoners van Nazareth aanvankelijk trots konden zijn op de Zoon uit het dorp die zo goed de Bijbel kon uitleggen, blijkt nu dat Hij zijn missie voorbij de dorpsgrenzen ziet gaan. Hij komt naar zijn dorp en ze zien Hem alweer gaan! De gevolgen kunnen we raden: het enthousiasme van de dorpelingen verdampt meteen.

Op wie richten wij ons gebed en onze aandacht en onze activiteiten? Alleen op onze eigen kring of ook daarbuiten? Hoe ziet onze wereld eruit? Het evangelie wil onze wereld vergroten, wil meer mensen in ons aandachtsgebied brengen. Laten we de Geest om wijsheid vragen, om onze wereld te verruimen.

Homilie
Wie een nieuwe baan krijgt wil graag weten wat de opdracht is. In een taakomschrijving staat precies aangegeven wat de taken inhouden, met wie samen gewerkt wordt, wat de verwachtingen en de doelen zijn. Een taakomschrijving geeft ook de grenzen aan: niet alles hoeft gedaan te worden. Er zitten grenzen aan de functie. Jezus heeft zijn roeping bij zijn doopsel gekregen. Beter gezegd: zijn doopsel heeft zijn roeping zichtbaar gemaakt. Daarna werd de Bijbel opengeslagen, dat was vorige week, en toen hoorden we hoe Jezus de inhoud van zijn roeping ontleende aan de profeet Jesaja: de opdracht om blinden te genezen en gevangenen te bevrijden, kortom om het Evangelie, de Blijde boodschap van Gods liefde naar buiten te brengen en zichtbaar te maken. Vandaag horen we tot wie de boodschap gericht is. Het fundamentele probleem van Israël komt daarbij aan bod: is het heil beperkt tot Israël alleen of kunnen ook mensen buiten het volk van het verbond delen in die vreugde en die liefde?

We weten hoe Jezus zich terughoudend opstelde en zich in eerste instantie niet richtte tot niet-Israëlieten. De uitzonderingen van de Samaritaanse vrouw, de Syro-fenicische, de Romeinse honderdman laten zien dat die grens niet zo hard is. Vandaag toont Jezus zijn kennis van de klassieke geschriften, van wat wij het Oude Testament noemen: ook daar ging regelmatig de boodschap van Gods liefde de grenzen van het land van het verbond te buiten. Daarbuiten werden soms belangrijker tekenen gesteld dan in het land Israël zelf.

Grenzen creëren een binnen en een buiten. Zou dat betekenen dat God zich beperkt? Zou onze God buiten die grenzen van het bekende afwezig zijn? Onze God die alomvattend is, zou hij niet de hele wereld in zijn liefde omarmen? Kan daar plaats zijn voor uitverkorenen die anderen buitensluiten?

De afgelopen dagen was ik met een groep in een klooster en we hadden het voorrecht om een lang gesprek te hebben met de abt van dit trappisten klooster. Onvermijdelijk kwam de vraag ter sprake naar het nut van zo’n afgesloten leven in een uithoek van de Belgische Ardennen. Het was de abt zelf die de vraag op tafel legde voordat we die zelf konden stellen. Het was ook zijn eigen aarzeling voordat hij intrad: hij kon het nut van zo’n leven niet inzien. Hij legde ons uit dat er verschillende manieren zijn om mensen nabij te zijn in het lijden. Concrete en daadwerkelijke hulpverlening is er één van: ziekenzorg en ontwikkelingshulp zijn er de zichtbare vormen van. Het is een mooie vorm van evangelisch leven. In een hervertelling van het leven van Jezus door de Japanse katholieke schrijver Sushako Endo komt naar voren dat Jezus ook nabij wilde zijn aan het lijden van de mensen die hij ontmoette in Galilea. De confrontatie met de mensen in Galilea die in een mooie streek woonden, maar allesbehalve in overvloed en rijkdom leefden, was voor Jezus uitermate hard en dat heeft zijn hart geopend. Deze mensen wilde Jezus nabij zijn en Hij zocht naar manieren om die nabijheid inhoud te geven . Hij stuurde zijn leerlingen daartoe uit om nog meer mensen bekend te maken met de boodschap van Gods liefde. Gaandeweg vatte Jezus zijn taakomschrijving groter en breder op dan alleen Galilea en Israël. De apostelen en met name Paulus zullen dat vervolgens uitdrukkelijker doen door de wereld in te trekken.

In het klooster is een manier gevonden om de muren niet als afwering te gebruiken, als de buitenmuur van een bolwerk van uitverkorenen, maar als teken van een huis waar je veilig bent, waar je thuis kunt komen, waar je verhaal veilig is, waar je weet dat er mensen van gebed zijn, mensen die luisteren, mensen die herinneren aan de onmetelijke liefde van de Vader. Ook daar is dus plek voor het lijden van mensen. De gastvrijheid, de grootste deugd van de regel van Benedictus betekent dat je de wereld in je hart draagt en dat je altijd voor deze wereld ruimte wilt maken. Zo weten mensen van allerlei achtergronden de abdij te vinden en zij worden niet in hun verwachtingen teleurgesteld.

Blijkbaar is het mogelijk om als beperkte mens of bescheiden parochie en klooster de wereld in je hart en je gebed en in je activiteiten te dragen. Die weg willen we gaan en we leggen ons niet neer bij een te beperkte taakomvatting van het evangelie als zou die slechts tot een select gezelschap gericht zijn. De kerk is geen groep van uitverkorenen, maar is geroepen om de wereld in te trekken. Als de kerk het sacrament van heil voor de wereld is, zullen we manieren moeten vinden om die wereld daadwerkelijk in ons hart en ons gebed en onze activiteiten mee te dragen. Amen