LogoAdVanDerHelm

kaarsjes

Verkondiging 8 februari 2015, vijfde zondag door het jaar

Lezingen
Job 7, 1-4.6-7
Psalm 147
1 Korinthiërs 9, 16-19.22-23
Marcus 1, 29-39

Welkom
De klacht van Job lijkt een klacht zonder hoop. Het is wonderlijk dat dergelijke teksten in de Bijbel staan. Het lijden en de zorgen van mensen worden blijkbaar serieus genomen. Er wordt door God naar geluisterd, al merkt Job daar in het grootste deel van zijn verhaal niets van. Pas wanneer hij werkelijk in relatie met God treedt, komt er schot in de zaak. Job doorbreekt het klagen, mopperen en debatteren met zijn vrienden met een gesprek dat hij met God zelf begint. Dan pas gebeurt er iets dat hem helpt, dat hem troost, dat hem uiteindelijk ook geneest.

Daarom zijn wij hier om weer in onze relatie met God te treden, zijn nabijheid te ervaren. Laten we alles achterlaten wat ons verhindert om in relatie met God te staan en laten we ons hart en ons hele bestaan voor zijn aanwezigheid openen. Vragen we God om vergeving voor het gemak waarmee we ons neerleggen bij de koorts van deze tijd en ons overgeven tot een passieve en gelaten houding.

Homilie
Met koorts ligt de schoonmoeder te bed. Ze kan geen gasten ontvangen. We weten hoe belangrijk de gastvrijheid in het Midden Oosten is. Die is van levensbelang. Het belang van de gastvrijheid herinnert aan de periode in de woestijn: als je daar gasten de deur wijst en zegt dat bezoek nu even niet gelegen komt, kan dat voor de gasten wellicht de dood betekenen, omdat er in de woestijn nu eenmaal niets te vinden is.

Gastvrijheid is meer dan een kopje thee zetten, maar het betekent iemand in je leven opnemen, iemand in je bestaan toelaten. Je gast wordt deel van je bestaan. Het gezin dat we in onze westerse cultuur kennen, is soms als een bolwerk en een burcht: kom niet aan mijn tijd, mijn huis, mijn leven. Mensen sluiten zich op in hun kleine bestaan.

Gastvrijheid levert in de Bijbel veel op: Abraham ontvangt zo de belofte van zijn toekomst, Jacob ontmoet zijn geliefde Rachel door de gastvrijheid van zijn schoonvader. Iemand die geen gastvrijheid verleent, beantwoordt niet aan de roeping die de mens van godswege heeft ontvangen. Nu komt er een gast in het dorp Kafarnaüm en de schoonmoeder kan hem niet ontvangen: de rabbi van haar schoonzoon, die het leven van haar hele familie op zijn kop heeft gezet, sinds Petrus zei dat hij deze rabbi wilde volgen.

We kunnen slechts speculeren over de oorzaak van haar koorts. Dat is niet zomaar verhoging, maar er is iets fundamenteel fout in haar leven. Het bezoek van Jezus brengt de ommekeer: hij doet haar opstaan. We zijn in het eerste hoofdstuk van Marcus, maar het woord dat hier gebruikt wordt verwijst al direct naar de uitkomst van het hele verhaal: de opstanding van Christus zelf.

De vrouw die ziek is, is eigenlijk op weg naar de ondergang, naar de dood. Op zich beseffen we dat we allemaal die weg gaan. Maar voor ons als gelovige mensen is dat niet het perspectief. Ons perspectief is opstanding. Dat betekent dat we in onze keuzes en onze visie op het leven een andere dimensie toevoegen: ons leven is onderdeel van Gods heilsplan.

Daar waar dit plan wordt tegengewerkt, daar waar ziekte en ellende de kop opsteken, stellen wij er een gebaar van dienstbaarheid tegenover. Zoals de schoonmoeder van Petrus opstaat om dienstbaar te zijn, is het ook aan ons om, zodra we beseffen wat Pasen betekent, dienstbaar te zijn aan elkaar en aan de mensen die we ontmoeten.

Blijkbaar is het voor Jezus en zijn apostelen ook een doorbraak: een moment van inzicht. Na de nacht in gebed door te hebben gebracht, en nadat Hij gehoord had dat de mensen hem zochten, besluit Hij om naar de mensen toe te gaan, om ook anderen te doen opstaan tot dienstbaarheid. De sleutel is de aanraking door Jezus Christus. Wij zijn misschien bevoorrecht dat we Hem mogen ontvangen in zijn Woord en zijn Sacrament in deze eucharistie, maar betekent niet dat dat we dit voor onszelf houden.

We willen mensen dienstbaar zijn opdat ook zij Jezus ontmoeten en leren kennen. Dat is onze opdracht. Er kan veel tussen mensen en Jezus Christus instaan. Het kunnen de gebeurtenissen in deze wereld zijn die aan God worden toegeschreven, of gelovige mensen die een verkeerd beeld van God naar voren brengen.

De koorts van deze tijd is dat mensen in ons land denken dat we zonder religie beter af zijn en helemaal zonder kerk. Men ziet daarin een bron van geweld en onderdrukking. Door die koorts komt de schoonmoeder, de kerk, op bed te liggen, verlamd en passief. Maar wij verkondigen niet onszelf, we verkondigen niet een instituut: wij verkondigen de liefde die sterker is dan de dood, de liefde waarvoor mensen liever hun eigen leven geven dan anderen onheil aandoen. We hebben nog een hele weg te gaan en deze periode van loutering en zuivering waar we doorheen gaan, zal zeker vruchten dragen. Ook al zien wij die zelf nu niet, we geven de hoop niet op.

Het is belangrijk om zelf met Jezus in gesprek te blijven. Dat was het keerpunt voor Job, dat was het keerpunt in de ziekte van de schoonmoeder. Dat is voor ons het fundament! Mogen wij die weg vasthouden, vastberaden en vol hoop, dan zal de verkondiging van Gods rijk vruchten dragen.

Amen

Verkondiging 1 februari 2015, vierde zondag door het jaar

Lezingen
Deuteronomium 18, 15-20
Psalm 95
1 Korinthiërs 7, 32-35
Marcus 1, 21-28

Welkom
Welkom bij deze viering op de eerste zondag na de installatie van het nieuwe pastorale team. Vandaag wordt er in de passage van het Eerste Testament een profeet aangekondigd. Mozes kondigt deze profeet aan die in zijn voetsporen zal gaan en die iedereen zal moeten volgen. In onze tijd staan er regelmatig mensen op die graag profeet willen zijn, mensen die verlangen naar hun moment of fame. Uiteindelijk hebben ze bedroevend weinig te vertellen. Ze wekken slechts medelijden op en zulke mensen hebben vooral onze aandacht en zorg nodig.

Aan het begin van deze viering onderzoeken we ons geweten en ons leven om na te gaan welke profeten we volgen en door wie laten we ons laten leiden: door de stem van God en zijn oproep tot opbouw van het Koninkrijk of door de harde schreeuwers van onze tijd? Vragen we God om vergeving voor het gemak waarmee we de schreeuwende profeten van deze tijd volgen in plaats van de stem van Christus ruimte te geven.

Homilie
Het uitdrijven van geesten gaat gepaard met veel geschreeuw. Blijkbaar beseft de kwade geest dat hij aan het kortste eind zal trekken en probeert hij zijn tegenstander en de omstanders te intimideren. Vaak lukt het en trekken de schreeuwers de meeste aandacht. Maar in het evangelie loopt het anders. Daar maakt het geschreeuw weinig indruk en stelt het weinig voor en met enkele woorden van Jezus wordt de macht van de boze gebroken.

De sociale media in onze tijd maken veel mensen tot profeten, tenminste daar lijkt het op. De drempel om profetische boodschappen te laten horen is in onze tijd heel laag geworden. Iedereen kan naar aanleiding van bepaalde incidenten berichten posten en commentaren leveren in blogs. Wie naar aanleiding van het incident in Hilversum de commentaren leest, raakt onder de indruk van de reacties van de mensen. Er wordt aan de jongen met zijn nepwapen van alles toegeschreven en toegewenst en er worden allerlei conclusies getrokken die naar mijn idee niet helpen en weinig rust brengen.

Zoals elders in het evangelie blijkt bij het optreden van een boze geest dat er vaak nog vele andere boze geesten in de buurt zijn. Legioen is dan de naam die boven komt drijven. Het begint met één man die zichzelf niet is en dat trekt veel andere boze geesten aan die een vernietigende invloed kunnen hebben. Het is dan maar de vraag waarvoor je meer bevreesd moet zijn: die ene boze geest die gemakkelijk onschadelijk kan worden gemaakt of die veelheid aan opgewonden en boze stemmen die van zich laten horen.

De profeet waar Mozes van spreekt biedt een uitweg uit de woestijn. U weet dat het volk in de woestijn zich eigenlijk geen raad weet. Ze hebben het huis van de slavernij in Egypte verlaten, maar weten niet of ze nu beter af zijn. Immers: er is weinig eten en drinken en ze weten de weg in de woestijn niet goed. Is die droom van het beloofde land wel waar? Of beter gezegd, is die droom van het beloofde land de ontberingen wel waard? Is het niet beter om maar genoegen te nemen met de woestijn en daar het beste van te maken? Moeten we niet simpelweg accepteren dat de wereld een woestijn is en dat we volgens de maatstaven van de woestijn moeten leven?

Die verleiding is momenteel erg aan de orde. Bang voor incidenten, bang voor alles wat onze rust verstoort, bang voor wat niet in ons verwachtingspatroon past, roepen de profeten van deze tijd allen om het hardst om maatregelen en om veiligheid.

De boosheid van de geest die in de man van het evangelie aan het woord komt, heeft te maken met zijn gevangenschap. Deze geest is opgesloten in zichzelf en begint te roepen. De geest van de jongen die met zijn nepwapen stond te zwaaien, was ook opgesloten in zichzelf, zonder sociaal netwerk en menselijke verbanden, zonder voldoende mensen die met hem nadachten over zijn leven en zijn toekomst in deze wereld; een jongen die met zijn geest teruggeworpen was op zichzelf en daar geen raad mee wist. Dit is eerder een teken van een gebrek in onze samenleving dan simpelweg de verstoordheid van deze jonge geest.

Wat Jezus laat zien in zijn verhaal waarin hij de profetie van Mozes tot waarheid brengt, is dat zijn Geest voortkomt uit de Geest van God. Het begin van het evangelie van Marcus dat we deze weken lezen tot aan de vasten, maakt ons duidelijk dat deze profeet Jezus spreekt vanuit zijn verbondenheid met God en dat de weg die Hij wijst een weg van verbondenheid met God is. Dat is de waarborg dat onze geest niet tot een boze geest wordt, dat we niet hoeven te roepen en te schreeuwen om aandacht naar onszelf te trekken, maar dat we geroepen zijn om ruimte te maken voor de Geest van God. Dat betekent dat we niet snel van ons stuk zijn, wanneer we een boze geest ontmoeten.

De droom van het beloofde land, de beloften van het Koninkrijk bepalen onze weg en dat is een uitweg uit de woestijn, een uitweg uit de hardheid van mensen ten opzichte van elkaar, een uitweg uit de boosheid van mensen die steeds weer opnieuw verontwaardigd zijn over alles en iedereen, maar die niet in staat lijken te zijn om een andere oplossing te bieden.

Christus houdt ons een andere weg voor. Hij toont ons het gelaat van de Vader en herinnert ons aan onze verantwoordelijkheid om mee te bouwen aan het Koninkrijk. De zorg voor elkaar en in het bijzonder voor de verloren zielen, zet daar de toon en stopt boze stemmen van geesten die onrust zaaien. Mogen wij als kerkgemeenschap een bron zijn van rust en vertrouwen en vrede.

Amen

Verkondiging 25 januari 2015, derde zondag door het jaar

Lezingen
Jona 3, 1-5.10
Psalm 25
1 Korinthiërs 7, 29-31
Marcus 1, 14-20

Welkom
Welkom vandaag bij het slot van de gebedsweek voor de eenheid van de christenen. Thema is dit jaar dorst: dorst naar God. Dorst betekent ook verlangen naar eenheid, hoop op gerechtigheid. In ons geloof is het verlangen een drijvende kracht. Hierin schuilt de roeping van God, die ons in beweging brengt. Het is niet de bedoeling dat we stil vallen en ergens gaan wachten totdat het heil komt. God komt de mensheid tegemoet en het is aan ons om zo klaar te zijn, dat we hem kunnen verstaan en herkennen.

Christus betrekt de leerlingen bij dit verlangen. Hij deelt alles met hen. Nu zijn het nog zijn dienaren, maar het worden zijn vrienden, omdat Christus alles aan hen wil meedelen wat Hij van de Vader ontvangen heeft. Dat zal hij zeggen bij het einde van zijn leven, bij het afscheid. Dat ligt allemaal nog in de toekomst.

Zijn wij daadwerkelijk de vrienden van Christus die zijn verlangen delen? Vragen we God om vergeving voor onze eigen lauwheid en ons gebrek aan verlangen.

Homilie
Over de kerk bestaan veel misverstanden. Aan de kerk wordt veel macht en rijkdom toegedicht, maar ook veel fouten uit het verleden. Vele mensen hebben van de kerk een beeld, dat het het voor hen moeilijk maakt om naar het evangelie te luisteren. Wanneer naar hun geloof gevraagd wordt, zeggen ze dat ze wel willen geloven, maar moeite hebben met het instituut.

De evangelielezing van vandaag komt ons eigenlijk te hulp. Duidelijk komt naar voren wat eigenlijk de basis van de kerk is. Het woord kerk komt van Kuriakos. Het verwijst naar wat eigen aan de Heer, de Kurios, is. Het verwijst naar de mensen die bij de Heer, de Kurios, horen, die zich geroepen weten, die in hun hart de stem van Christus verstaan die mensen roept om zich voor het evangelie in te zetten.

In zijn kersttoespraak tot de Romeinse curie heeft paus Franciscus de medewerkers van de curie opgeroepen om hun oorspronkelijke verhaal niet te vergeten. De toespraak heeft nogal wat stof doen opwaaien omdat de paus nogal streng overkwam. Inderdaad was het geen eenvoudige toespraak. Het was een gewetensonderzoek waartoe de paus de medewerkers opriep. Hij sprak overigens in die tekst niet van “jullie” maar van “ wij”. Hij sprak dus ook zichzelf aan.

Het risico dat hij aanwees was dat van de routine van het leven en het werk waar we in zitten. We kunnen druk bezig zijn met de organisatie van de parochie en onze werkgroep, of druk zijn met de beslommeringen van alle dag, zodat we ons roepingverhaal dreigen te vergeten. We zijn dan inderdaad bezig met de institutionele kant van ons geloof en onze kerk. Het lijkt dan voor de oppervlakkige toeschouwer alsof er niets anders is.

De paus riep zijn luisteraars op om het eigen persoonlijke roepingverhaal weer af te stoffen en te voorschijn te halen. Ik vond dat een mooie gedachte omdat ons geloof en onze betrokkenheid bij de kerk een persoonlijke oorsprong hebben. Op die manier zetten we ons eigen verhaal op de voorgrond. De meesten van ons zijn met geloof en kerk opgegroeid en we zijn er als vanzelf in komen rollen, maar er zijn vast ook momenten geweest dat we hebben gezegd: toen was ik blij met mijn geloof en mijn kerk. Toen voelde ik me getroost, toen voelde ik me gedragen. Welk moment is dat voor ons geweest? In een viering? Bij een bepaald feest, een bepaalde gebeurtenis of een ontmoeting? Ik denk dat het belangrijk is dat we dit met elkaar delen en aan anderen vertellen. Geloof is immers niet in eerste instantie een leer en een dogmatiek, maar is het vertrouwen op God die als een vriend in ons leven met ons meegaat.

Voor mij was de ontdekking van de link tussen de liturgie en het gewone dagelijkse leven een aanleiding om het evangelie met andere ogen te lezen. Het werd een verhaal over mij. In plaats van de figuren in de verhalen, de apostelen en andere mensen, kon ik mij zelf erin terug zien. Ik kon me dan afvragen: wat zou mijn antwoord of mijn reactie geweest zijn? Wat zou ik dan tegen Jezus gezegd hebben?

Het verhaal van de roeping van de leerlingen is niet een verhaal van mensen die zich gemakkelijk over de streep laten halen. Daarom is de eerste lezing ook zo essentieel: daar hebben we een profeet die zich heftig tegen zijn roeping verzet. Hij vindt het maar niets dat hij door God geroepen wordt om onheil te verkondigen. Het doel van die verkondiging is om de mensen op te roepen tot bekering. Jona gelooft daar niet in. Hij wil de mensen geen kans bieden zich te verbeteren. Toch wordt hij gezonden en na een avontuurlijke reis geeft hij toe. Zijns ondanks komen de mensen tot bekering en wordt het onheil afgewend.

Geroepen worden door God is niet altijd kiezen voor de gemakkelijke weg. Soms gaat er een worsteling aan vooraf en voor veel gelovige mensen is die worsteling nooit voorbij. Maar ook dat kunnen we tegen elkaar zeggen. Als gelovigen hoeven we niet te doen alsof alles in het geloof vanzelf gaat. Als we ons echt verplaatsen in de apostelen die door Jezus geroepen worden, mogen we ook onze twijfel en aarzeling naar voren brengen. Hoe vaak zegt Jezus niet “Kleingelovigen, begrijpen jullie het nu nog niet?”

Laat dit verhaal over roepingen voor ons een herinnering aan onze eigen roeping zijn en mogen wij die met mensen om ons heen bespreken.

Amen