LogoAdVanDerHelm

kaarsjes

Verkondiging Christus Koning, 23 november

Lezingen
Ezechiël 34,11-12.15-17
Psalm 23
1 Korinthiërs 15, 20-16.28
Mattheüs 25, 31-46

Woord van welkom
Vandaag sluiten we het kerkelijk jaar af met een soort samenvatting van het gehele heilsmysterie. Wat is uiteindelijk het doel van de hele schepping? De titel van het feest Christus Koning van het heelal heeft niets te maken met een koningschap zoals we dat op aarde kennen, maar het duidt aan dat de gehele schepping in Gods hand is. De troon van deze koning is het kruis en de uitverkorenen zijn de armen.

Gods Zoon is als het ware de omarming die God voor de hele mensheid en de hele kosmos bereid heeft. Niets valt daarbuiten. Christus heeft ons de ogen en het hart geopend voor de kleinen en kwetsbaren. We lezen dit vandaag in de parabel van de werken van barmhartigheid. Vragen we God om vergeving voor die keren dat we niet vanuit het vertrouwen op Hem leefden.

Homilie
De mens staat centraal in de moderne samenleving. De aandacht voor mensenrechten is groot. Verdragen tussen landen zijn gesloten en de wetgeving in afzonderlijke lidstaten wordt tegen het licht van deze mensenrechten gehouden. Iedereen kan altijd verhaal halen als consument, als reiziger, als werknemer. Wanneer rechten worden geschonden, of wanneer je simpelweg belazerd wordt, kun je er iets tegen doen. Dat is een groot goed omdat mensen veel leed kan worden aangedaan.

De idee van de mensenrechten is er vooral op gericht ons te helpen de rechten van anderen te beschermen. Het is een handvat om op te komen voor mensen die anders geen stem hebben. Het is er niet om je eigen leefwereld zo groot mogelijk te laten zijn en anderen zover mogelijk van je af te zetten, om je eigen rechten op te eisen ten koste van die van de anderen. Dan schieten de mensenrechten hun doel voorbij. Het risico is dat ze gebruikt worden om uitsluitend individuele rechten te claimen en daarmee zou het kunnen gebeuren dat de mens uitsluitend opkomt voor zijn eigen individuele leven en zijn persoonlijke mogelijkheden. De mens in de moderne samenleving vindt zich zelfstandig en autonoom en die vrijheid moet ook zo groot mogelijk gehouden worden. Als dat het uitgangspunt wordt, dan klopt dit niet meer met het evangelie. Wat ons in de parabel van de werken van barmhartigheid voorgehouden wordt, heeft zeker te maken met een vorm van mensenrechten.

Jezus vraagt of aan de kwetsbare mensen in nood recht wordt gedaan en of de mensen die aan het oordeel zijn onderworpen aandacht hebben geschonken aan deze mensen in nood. Hij vraagt echter niet naar de uiteindelijke situatie van de naakte mensen en van de vreemdelingen. Hij vraagt niet of de hongerigen nu genoeg te eten hebben en of de dorstigen nu voldoende kunnen drinken, maar Hij vraagt wat de mensen voor hen gedaan hebben. Het doel van de ondervraging is uiteindelijk niet om te weten of er overvloed is en rijkdom en vrijheid voor alle mensen, maar of de mensen voor elkaar opkomen. De rechtvaardigheid van de samenleving wordt niet afgemeten aan het geluk van de individuele mens, maar aan de betekenis van mensen voor elkaar en hoe zij met elkaar leven.

De bisschop van Rotterdam heeft de wijding van de priester en de diakens vorige week aangegrepen om een Laurentiusjaar uit te roepen voor ons bisdom in de aanloop naar het zestig jarig bestaan in 2016. Het doel is om ons als gelovigen in herinnering te roepen dat we tot barmhartigheid geroepen zijn. Onze bisdompatroon Laurentius is bekend om zijn uitspraak dat de armen de schatten van de kerk zijn. Daarmee is niet gezegd dat het goed is om arm te zijn en zeker niet dat het goed is om hen arm te houden. Laurentius wachtte echter niet af totdat anderen in actie kwamen, maar hij ondernam zelf actie. Hij wilde een antwoord geven aan het hulpgeroep dat tot ons komt.

Jezus zal ons vragen naar onze eigen daden. Zijn vraag zal niet zijn: “heb je voldoende tegen onrechtvaardigheid geprotesteerd?” maar “ben je de arme en gekwetste mens te hulp geschoten?” De ontevredenheid over onze samenleving mag ons niet verlammen, maar zal ons moeten activeren om het koninkrijk dat Jezus verkondigd heeft handen en voeten te geven in ons eigen dagelijkse leven, in onze omgang met elkaar. We mogen veel van elkaar vragen, het evangelie is niet vrijblijvend, maar uiteindelijk bouwen we als geloofsgemeenschap aan een verdieping en versterking van onze menselijke relaties. Dan zal Christus’ gelaat kunnen oplichten en Hij zal tot ons spreken en ons zijn barmhartigheid schenken. Ik wens ons allen toe dat we veel van die momenten van barmhartigheid mogen ervaren.

Amen.

Verkondiging 2 november 2014, Allerzielen

Lezingen
Wijsheid 3, 1-9
Psalm 116
Romeinen 8, 31b-35.37-39
Johannes 11, 17-27

Woord van welkom
Welkom aan U allen. We delen met elkaar ons verdriet. Soms is dat verdriet hard en pijnlijk. Soms overheerst dankbaarheid en vrede en berusting. U weet dat dit jaar voor mij zelf en mijn zus en zwager Allerzielen een bijzondere betekenis heeft na het overlijden van onze moeder. Ook wij delen in het verdriet en we herkennen de tranen van mensen om ons heen. We gedenken ook de vele doden in de wereld, slachtoffers van de aanslag op het vliegtuig in de Oekraïne, de christenen en andere minderheden die in het Midden-Oosten gedood zijn, de slachtoffers van de Ebola epidemie, patiënten en artsen en verpleegkundigen, doden onder de vredessoldaten van de VN, ouderen en eenzamen die zonder naam gestorven zijn.

Als wij samen komen, noemen we de naam van God. We vertrouwen ons leven toe aan Hem die de schepper is van al wat leeft. In Hem zijn we verbonden met onze dierbare doden aan wie we veel herinneringen hebben en vooral hun namen zijn ons dierbaar. Zij staan geschreven in ons hart en we geloven dat zij ook in Gods hand zijn. Het noemen van de namen doen wij in het aangezicht van God. Moge die liefdevolle blik het leven van ons allen verlichten. Laten wij ruimte maken voor Gods stem in ons eigen leven. Laten we gaan staan om in stilte onze dierbaren en alle doden te gedenken.

Homilie
Kan de mens God zien? Veel mensen verlangen een teken van Gods aanwezigheid en wanneer iemand overlijdt, worden zijn/haar laatste woorden zorgvuldig bewaard, omdat we hopen dat ze iets onthullen van de ervaringen bij de ontmoeting met de dood. Wanneer mensen aanwezig zijn bij het sterven van een dierbare, wordt nauwkeurig gewaakt of men de dood kan zien komen.

De dood is voor ons geen verdwijnen in de duisternis en de leegte, maar een ontmoeting met iemand van de overkant. Soms is het geloof van mensen tot een heel kleine kern overgebleven, maar op het moment van overlijden komt vaak het verlangen aan de oppervlakte naar een ontmoeting met God die de zorg voor een dierbare overneemt. Dat is vervolgens de grondtoon van een uitvaart in een kerk of aula: we vertrouwen een geliefde mens toe aan de Eeuwige, die soms een geliefde vader of een bekende vriend is; soms is God een eeuwige liefde die van verre gekomen is om de mens op dit verdrietige moment nabij te zijn.

Het proces van sterven kan op heel verschillende wijzen gaan. Het kan de mens overvallen, maar het kan ook heel sluipend gaan waarbij de mensen eromheen op allerlei manieren liefde geven en zorg verlenen. Soms wordt door een ongeluk, zoals een aanslag op een vliegtuig, een leven gruwelijk afgesneden. Door oorlogshandelingen kunnen mensen uit het leven weggerukt worden. De dood heeft soms een gruwelijk, onmenselijk gezicht, anderzijds kan de dood een bevrijding uit een langdurig lijden betekenen.

In ons christelijke denken en geloven is er altijd de figuur van Christus die de stervende mens tegemoet komt. Het verwijt van Maria aan het adres van Jezus dat Hij te laat gekomen is om de dood van Lazarus tegen te houden, krijgt een antwoord waaruit blijkt dat het komen van Jezus allerminst te laat is, maar een diepere vorm kent waarbij de mens uiteindelijk bevrijd wordt. De mens wordt bevrijd van zijn beperkte waarnemingsvermogen waarbij hij slechts deze wereld kan aanschouwen. Hij/zij kan in zijn leven zijn best doen om in tekenen van de schepping, in de tekenen van menselijke liefde, iets te ontwaren van de eeuwige liefde die de bron van alles is. Maar toch blijft onze blik beperkt en blijven we verlangen naar het onverhulde aanschouwen van Gods liefde. Pas in de dood wordt die beperking opgeheven en opent zich het visioen van Gods onvoorstelbare aanwezigheid, onvoorstelbaar in onze wereld, maar zichtbaar en ervaarbaar aan de overkant. “Ik ben de verrijzenis en het leven”, zegt Jezus. Wie Christus herkent, deelt in die verrijzenis, ook al is hij gestorven.

Wij gedenken vandaag onze doden. Voor u die afscheid heeft moeten nemen van uw echtgenoot of echtgenote is het leven ingrijpend veranderd. Wanneer uw vader of moeder is overleden, is een deel van uw eigen geschiedenis afgesloten. Als de dood in uw leven is gekomen doordat er een vriend is overleden, beseft u uw eigen sterfelijkheid.

De dood van dierbaren raakt ons allen, en daarom vieren wij deze Allerzielen in onze gemeenschap. Wij wenden ons op deze dag naar Christus en bidden Hem dat Hij onze dierbaren thuisbrengt. Wij bidden dat we troost vinden bij elkaar, in onze kring van familie en vrienden, in de kring van onze parochie en onze geloofsgemeenschap. Mogen wij altijd de verhalen van onze geliefden blijven vertellen en met elkaar delen. Want in die verhalen spreekt God tot ons, omdat die dierbaren Gods geschenk aan ons en aan de wereld zijn. Hun leven is voltooid in God en ook ons leven mag de vruchten van hun liefde meedragen. Dat zal ons kunnen troosten.

Amen

Verkondiging 29e zondag door het jaar, 19 oktober 2014

Lezingen
Jesaja 45,1.4-6
Psalm 96
1 Thessalonicenzen 1, 1-5b
Mattheüs 22, 15-21

Woord van welkom
Welkom op deze zonnige ochtend om onze wereld te zien in het licht van Gods liefde. In Rome wordt de synode afgesloten en wordt paus Paulus VI zalig verklaard. Deze paus hield in roerige tijden de koers van het concilie vast.

Ook ons wordt gevraagd om in de onrustige wereld van vandaag, de koers van het evangelie van Christus, dat een evangelie van vrede is, vast te houden. Vragen we God om vergeving voor die keren dat we niet vanuit het vertrouwen op God leefden.

Homilie
Welke houding dienen wij tegenover de heersers van de volken aan te nemen? Wij geloven in God en hoe staan we dan tegenover de leiders van onze wereld? Het thema van deze zondag is actueel in een wereld waar we als christenen een minderheid vormen. Natuurlijk zag de samenleving er in de tijd van koning Cyrus, in het eerste testament, en die van de Romeinse keizers, tijdens het nieuwe testament, er anders uit dan in onze tijd. Toch is het thema herkenbaar.

Mensen dragen allemaal maatschappelijke verantwoordelijkheid en de vraag is, waardoor wij ons laten leiden. De profeet Jesaja vertelt dat de vreemde koning Cyrus die eigenlijk buiten het verbond van God met zijn volk staat, toch instrument van Gods heilsplan is geworden. De ballingschap die een fundamentele crisis voor het Joodse volk te weeg heeft gebracht, wordt beëindigd door deze koning die het volk helpt om een nieuw bestaan in het eigen Joodse land op te bouwen, inclusief een nieuwe tempel.

De keizer in Rome probeert het Joodse volk zijn geloof af te nemen. De tempel mag blijven, maar verder moet men in het gareel lopen. Er is wel enige tolerantie voor de eigenheid van dit eigenzinnige volk, maar het moet niet te gek worden. De keizercultus wordt niet opgelegd en men mag zijn eigen religieuze wetten handhaven, maar ondertussen maakt het leger de dienst uit en houdt de Romeinse landvoogd het volk in zijn greep en kan mensen ter dood veroordelen. De farizeeën en schriftgeleerden hebben wegen gevonden om toch met de heidense Romeinen te leven en via slimmigheden aan hun geloof trouw te blijven en zich niet te laten verontreinigen volgens hun rituele principes.

Erg serieus is dit in de ogen van Jezus niet. Het antwoord van Jezus op de vraag naar belasting wordt door alle partijen in het eigen voordeel uitgelegd. Sommigen zien dit als een rechtvaardiging van de scheiding van kerk en staat, omdat ieder zich blijkbaar met het zijne bezig moet houden. Anderen zien het als een afwijzing, omdat Jezus niets te maken wil hebben met munten waar een afbeelding op staat, ook al is die van een keizer of beter gezegd, juist omdat het de keizer is. Laat de keizer zijn geld maar houden!

Ik denk echter dat Jezus’ antwoord een vraag aan het adres van de machthebbers inhoudt. Het is een vraag die natuurlijk ieder van ons aangaat. De vraag is, of we de mens werkelijk als beeld van de levende God zien. Daar leidt de verwijzing heen die verwijst naar de beeltenis van een mens op de munt. Ook op onze Nederlandse munt staat een beeltenis van een mens. De vraag is nu: wie dient wie? Dient het geld de mens of dient de mens het geld? Die vraag ligt onder de vraag naar de belasting aan de keizer. Staat de mens centraal of het geld? Waar is onze samenleving op gebouwd? Waar ligt de eigenlijke macht?

Voor Jezus is de waarde van de mens in God geworteld. De mens als schepsel van God is bekleed met de gave om het leven te geven. De mens heeft het talent gekregen om de wereld tot een bewoonbare plaats te maken. De mens draagt de goddelijke deugden van geloof, hoop en liefde als instrumenten om met de naaste te bouwen aan het koninkrijk van God dat ons uiteindelijk in zijn definitieve vorm geschonken zal worden.

De mens draagt dat talent, maar maakt dit niet altijd waar. De mens kan evenzeer vernietigend en dodend en gewelddadig te keer gaan. Het wordt ons deze maanden op afschuwelijk wijze duidelijk gemaakt. Christenen, Jezidi's en zogenaamd afvallige moslims worden slachtoffers van lieden die met niets en niemand ontziend geweld tekeer gaan. Ik heb deze week een jongere gesproken die een bezoek heeft gebracht aan vluchtelingen uit Irak en Syrië. Hij is getuige geweest van mensen die te midden van het geweld getuigen van geloof, van hoop en van onderlinge liefde. Er is alle reden om zowel je geloof in God als in mensen op te geven. Toch beseffen veel mensen daar dat dit niet de weg is, dat zij hun geloof in een betere wereld willen behouden. Zolang mensen daar die talenten kunnen vasthouden, is het ook aan ons om ons leven daarop te vestigen en ons geloof niet op te geven.

Van de leiders van de volken wordt gevraagd om de mens te verdedigen en de mens als beeld van God te beschermen. Als de mens teloor gaat, zal de liefde verloren gaan. Als de machthebbers en ook wijzelf ons laten meeslepen in de taal van wraak en geweld, gaat ook de menselijkheid van onszelf verloren. De vraag naar belasting is niet zo maar een praktische vraag, maar is uiteindelijk een vraag naar geloof: staat de mens echt centraal in ons leven en onze wereld?

Aan ons de opdracht om die vraag levend te houden en onze wereld daarop te ondervragen vanuit ons geloof in Christus die het beeld van de liefhebbende God is.

Amen.