LogoAdVanDerHelm

kaarsjes

Verkondiging 23e zondag door het jaar, 7 september 2014

Lezingen
Ezechiël 33, 7-9
Psalm 95
Romeinen 13, 8-10
Mattheüs 18, 15-20

Woord van welkom
Vandaag komen we zoals we gewend zijn samen rond het Woord en de tafel des Heren. Zeker vandaag vind ik troost in het besef dat we in onze parochie één familiegemeenschap zijn, door Christus samengebracht. Als priester voel ik me gedragen door parochianen nu ik zelf troost kan gebruiken. Ik wil u danken voor de blijken van medeleven die mijn zus, zwager en ik hebben gekregen, voor gebeden en gedichten. Het zijn woorden van hart tot hart. Het is een gave van God om elkaar zo nabij te zijn. We bidden vandaag ook samen voor allen die in de rouw zijn, voor allen in de wereld die eenzaam zijn of vluchteling, voor mensen die in eenzaamheid hun verdriet moeten verwerken. Bidden we ook in het bijzonder voor de vervolgde christenen. Vragen we God om vergeving voor die keren dat we niet vanuit het vertrouwen op God leefden.

Homilie
Gods barmhartigheid is niet vrijblijvend. We mogen elkaar op die barmhartigheid aanspreken wanneer wij niet volgens die barmhartigheid leven. De procedure die ons in het evangelie wordt voorgehouden is een prachtig voorbeeld van broederlijke en zusterlijke vermaning. Het besef dat zelfs tussen geloofsgenoten onenigheid kan ontstaan is zo oud als het apostelcollege zelf. De twaalf door Jezus uitverkoren mannen blonken niet altijd uit in tact, in bescheidenheid, of zuiverheid. Het is niet duidelijk welke criteria Jezus had om deze mannen te roepen. Er zijn momenten geweest dat de Heer duidelijk blijk gaf van zijn teleurstelling en zelfs zijn wanhoop: "kleingelovigen begrijpen jullie het nu nog niet" en er zijn meer van dergelijke uitspraken. Gods barmhartigheid is niet vrijblijvend. Dat betekent dat we een gebrek aan barmhartigheid, rechtvaardigheid of aan andere deugden bij elkaar wel dienen aan te wijzen, maar op een wijze dat de onderlinge band zo min mogelijk schade leidt. Er wordt van geloofsgenoten een grote prudentie verwacht om niet zomaar elkaars rechter te zijn.

Er is een groter goed dan je eigen gelijk halen en dat is de eenheid van de kerkgemeenschap, omdat die teken is van de trouw van God jegens zijn volk. Voor die eenheid moeten we waken. Ook Ezechiël wordt geroepen om als een profeet een wachter te zijn voor de eenheid en de zuiverheid van het volk.

Zuiverheid is echter geen abstract idee of een bepaalde ideologie. Maar het gaat om trouw tussen mensen die elkaars fouten en zonden niet zomaar accepteren, maar die zich daardoor anderzijds niet van elkaar laten scheiden.

Wie naar de kerken kijkt ziet waar het mis kan gaan. Daarom is het nodig dat de kerken veel energie steken in het herstel van de eenheid, een werk dat overigens niet zonder de heilige Geest van God kan worden bewerkstelligd.

Maar we kunnen ook kijken naar het leven van families en personen. Soms kunnen relaties tussen mensen die sterke familiebanden en vriendschapsbanden hebben gehad, fundamenteel beschadigd zijn. Zijn ze dan ook onherstelbaar?

Jezus gelooft dat niet, omdat hij de kracht van vergeving kent. Wij zijn gedoopt en gemaakt tot broeders en zusters en dat betekent dat we wachters van Gods barmhartigheid zijn. Wij dienen de waarborgen van de barmhartigheid tussen mensen te zijn.

De seculiere samenleving kent deze barmhartigheid niet omdat voor haar deze barmhartigheid bijvoorbeeld betaalbaar of wederkerig moet zijn. Er zitten grenzen aan en er kunnen andere prioriteiten gekozen worden. Zo is het niet in het evangelie. Al kunnen we dit ideaal niet altijd halen. We kunnen er wel ingroeien en daarin dienen we elkaar te helpen. Het is natuurlijk wel noodzakelijk dat we als christenen dat uitgangspunt als basis vasthouden en dat niet opgeven, ook al voelen we ons onvolmaakt en zwak.

Daar ligt het fundament dat Paulus beschrijft in de tweede lezing van vandaag: liefde vervult de gehele wet. Onze barmhartigheid moet teken zijn van Gods liefde voor de mensen. Dat onderscheidt ons van de wereld en al komen we ook in de wereld voorbeelden van grote barmhartigheid tegen, wat ons van anderen onderscheidt is de bron die wij in God zien. Die geeft perspectief van eeuwigheid. Daar waar een mens een ander echte barmhartigheid betoont, is Gods eeuwige liefde aanwezig. Mogen wij die roeping verstaan en vasthouden.

Amen.

Verkondiging 22e zondag door het jaar, 31 augustus 2014

Lezingen
Jeremia 20, 7-9
Psalm 63
Romeinen 12, 1-2
Mattheüs 16, 21-27

Woord van welkom
In deze eucharistieviering willen we in een onrustige wereld de nabijheid van God ervaren. We willen door zijn aanwezigheid gevoed worden. We snakken naar een woord van vrede, we verlangen naar het brood van vrede.

Christus gaat ons voor en zegt ons de richting die Hij op wil gaan. Hij slaat de weg naar Jeruzalem in en dat betekent feitelijk het einde. Daar zal Hij zijn dood tegemoet gaan. Hij zal naar menselijke berekening zijn einde vinden. Maar Gods heilsplan is krachtig en vol leven. Durven wij Christus te volgen of wenden we ons van de wereld af? Vragen we God om vergeving voor die keren dat we niet leefden vanuit het vertrouwen op Gods trouw aan zijn schepping.

Homilie
Mensen vluchten weg van het strijdtoneel. Mensen vluchten weg van de ebola epidemie. Mensen vluchten van armoede met hoop op een beter leven. Onze wereld is kleiner geworden en verre gebieden zijn bereikbaar geworden. En ook de mensen van die landen zijn mobieler en beweeglijker geworden. Met vliegtuigen en boten probeert men een veilig heenkomen te zoeken, als het moet door middel van mensensmokkelaars met minder zuivere bedoelingen, soms zelfs met de dood tot gevolg. De risico's zijn groot, maar men is bereid die te lopen. Alles beter dan daar te blijven in de landen en gebieden waar geen perspectief is.

Jezus vertoont het omgekeerde gedrag. Hij zoekt de problemen juist op. Hij wil naar Jeruzalem gaan. Petrus snapt wat dit betekent. Het betekent een provocatie aan het adres van de kliek rond de tempel. Wat heb je daar te zoeken? We hebben het hier fijn met elkaar, zegt Petrus. De leerlingen weten nu dat ze de Messias in hun midden hebben en die laat Petrus zich niet meer afnemen. Hij probeert zijn wereld zo klein mogelijk te houden en te beperken tot Galilea.

Jeruzalem is ver weg en laat dat ook maar zo. Wat hebben we met de mensen van Jeruzalem te maken? Vorige week noemde ik het gesprek tussen Jezus en Petrus een gesprek tussen twee vrienden waar alles gezegd kan worden. Dat wordt vandaag heel duidelijk. Vandaag zijn we getuige van een grote ruzie en woordenwisseling tussen Jezus en Petrus. Jezus maakt duidelijk dat de titel Christus niet een mooie benaming is, maar een levensprogramma. Voor Petrus is dat nog niet duidelijk. Voor hem is een openbaring van Gods liefde en nabijheid nog slechts een persoonlijke aangelegenheid. Hij overziet de consequenties van zijn belijdenis nog niet. Jezus maakt het hem duidelijk: als Jezus de Christus is, dan zit er niets anders op dan om de uitdaging op te pakken en naar Jeruzalem te gaan. En Hij verwacht van zijn leerlingen dat ze meegaan.

De boodschap die de gezalfde van God in onze wereld brengt, wil de wereld klaar maken voor Gods gerechtigheid. De profeten die deze gerechtigheid verkondigen worden gedreven door een innerlijke kracht die zij zelf niet helemaal begrijpen. Jeremia getuigt daarvan in de eerste lezing en zegt: “soms wil ik er niets meer van weten, maar dan laait er in mijn hart een vuur op.”

Waar is ons vuur gelegen? Zijn wij geraakt door liefde voor het evangelie? We hoeven geen profeten te zijn en we hoeven niet allemaal af te reizen naar conflicthaarden, de meesten van ons hebben namelijk andere verantwoordelijkheden hier. Maar onze opdracht als kerk is wel om een profetische stem te zijn. Onze opdracht is niet om ons verdekt op te stellen, maar om voortdurend aandacht te vragen voor mensen in nood: christenen en andere minderheden. Zoals gisteren gebeurde op het Spui, zoals regelmatig gebeurt in de sociale media. Vluchten kun je ook doen door zwijgen, door ontkennen, door de noden te onderschatten. Wij willen niet vluchten, maar het lijden van de wereld in het hart van ons geloof brengen. Dat is wel het minste dat we kunnen doen.

Het teken waar Jezus nu van spreekt en dat Hij op Golgota waar zal maken, is het grootste offer dat een mens kan schenken, dat van zijn eigen leven. Dat teken kan alleen maar zin hebben wanneer het leven dat geschonken wordt, meer is dan het leven van een individueel mens. Het leven van Jezus is het leven van God te midden van ons. Het leven van Jezus is de bron van ons leven en we mogen uit die bron putten als wij de Schrift lezen en vooral wanneer we de Eucharistie vieren en zijn Levensbrood delen. Het is zijn Geest die in ons woont en die we tot spreken willen brengen, die we een actieve bron willen laten zijn in ons eigen bestaan.

We zeggen dan in deze viering: ook ons eigen leven is meer dan mijn eigen persoonlijke leven, maar mijn leven is van God, Het is door God geschonken en het zal weer naar God terugkeren. En in mijn leven heb ik de opdracht om de trouw van God aan mensen en de liefde voor de mensen concreet zichtbaar te aken. Het is aan ons om God present te stellen. Waarom gaat Jezus naar Jeruzalem: omdat de tempel daar leeg dreigt te raken. Veel van de Schriftgeleerden spreken niet meer van God, veel van de Farizeeën stralen niet meer de liefde voor de Wet uit. Christus wil de Heer present stellen in die nieuwe tempel: niet een gebouw van stenen, maar een levend gebouw van mensen van vlees en bloed. Hij gaat naar Jeruzalem om die tempel als het ware af te breken omdat die de mensen niet meer helpt om bij God te komen. Een echte tempel brengt God en mensen bij elkaar. Christus is de nieuwe tempel. Door het lijden heen, toont Hij Gods aanwezigheid, diens trouw en Liefde. Wij mogen in zijn voetstappen gaan, niet vluchten voor het onheil dat de wereld treft, maar door onze aandacht, ons gebed en ons spreken en onze vrijgevigheid God nabijbrengen bij hen die Hem zoeken. Moge de Geest van Christus ons moedig maken om die weg te blijven volgen.

Amen.

Verkondiging 21e zondag door het jaar, 24 augustus 2014

Lezingen
Jesaja 22, 19-23
Psalm 138
Romeinen 11, 33-36
Mattheüs 16, 13-20

Woord van welkom
Jezus wordt vandaag door Petrus op een nieuwe manier herkend. Veel mensen praten over Hem en veel mensen hebben hun eigen meningen. In onze tijd is dat niet anders. Voor Petrus is Jezus een openbaring van God, een teken dat God de mensheid niet heeft verlaten.

Nog steeds is dat de kern van ons geloof, dat God de wereld en de mensheid, zijn schepping, niet heeft verlaten. Nog steeds mogen wij rekenen op zijn koninkrijk dat mensen in hun hart kan raken en tot nieuw leven kan brengen, een koninkrijk dat wij in gebed en dienstbaarheid willen uitdragen.

Toch hebben we het idee dat dit koninkrijk uitblijft en onzichtbaar is. De belijdenis van Petrus bemoedigt ons omdat ook in zijn tijd niet iedereen in Jezus de Zoon van God herkende. Petrus wel. Hij ziet Gods nabijheid en Gods liefde in Jezus.

Wij mogen in de lezing van de Schrift en het vieren van de sacramenten Jezus nabij weten, midden onder ons. Dat koninkrijk vieren we opnieuw vandaag in deze eucharistie. Vragen we God om vergeving voor die keren dat we niet leefden vanuit het vertrouwen op Gods trouw aan zijn schepping.

Homilie
Vrienden spreken de waarheid met elkaar. Ze durven deze waarheid soms beter te zeggen dan familieleden dat aankunnen. Vrienden kennen elkaars keuzes en uitgangspunten, zij kennen elkaars krachten en beperkingen. Vriendschap is bestand tegen stormen en onenigheden. Op die manier kunnen vrienden elkaar scherp houden en er voor zorgen dat ze trouw blijven aan hun uitgangspunten.

Het gesprek tussen Jezus en Petrus gebeurt op een keerpunt in het leven van Jezus. Jezus beseft dat zijn roeping nog niet voltooid is. Het is niet voldoende om een goede leraar te zijn en wonderen te verrichten en mensen in hun geloof te sterken. Er is meer voor nodig om de mensheid te bevrijden van het kwaad dat steeds weer de kop op steekt. Jezus is niet alleen maar een vriendelijke profeet die mensen wil helpen. Hij is de Zoon van God die in de wereld gekomen is om het kwaad dat de mensheid in zijn greep houdt, definitief te verslaan. En daar is meer voor nodig dan prediking!

Jezus staat voor de keuze om eventueel naar Jeruzalem te gaan. Op die drempel vraagt Hij zijn leerlingen, die ook zijn beste vrienden zijn geworden, naar zijn eigen identiteit: “Wie zeggen de mensen dat Ik ben? Wie zeggen jullie dat Ik ben?” Met het antwoord van de leerlingen, met de belijdenis van Petrus, durft Jezus het aan om die weg naar Jeruzalem in te slaan. Als u het verhaal een beetje kent, weet u hoe Petrus op dat voornemen reageert: hij wijst het af. Petrus vindt het een onzalig idee. Maar Jezus weet dat de consequentie van deze belijdenis is dat Hij naar Jeruzalem moet gaan. De strijd tegen het kwaad dat mensen in zijn greep houdt, moet tot het einde toe gevoerd worden. Ieder wordt geroepen zijn/haar bijdrage daarin te leveren, klein of groot.

Het kwaad dat mensen in zijn greep houdt, lijkt alom tegenwoordig en het heeft in Jezus’ tijd zelfs de tempel bereikt: veel tempeldienaren en schriftgeleerden lijken het spoor bijster te zijn en spreken meer van regels en voorschriften dan over datgene waar het hart eigenlijk vol van zou moeten zijn: de liefde tot God en de naaste.

Niet dat dit nieuw is: de profeet Jesaja constateert dit ook en profeteert in naam van God dat God een nieuwe overste van de tempel zal zenden, een die zijn opdracht waar zal maken. Met deze woorden van Jesaja in zijn achterhoofd beseft Jezus dat hij deze nieuwe overste van de tempel moet worden. Hij beseft dat dit niet zomaar een glorieuze intrede zal zijn, maar een pijnlijke strijd. De taak die Petrus in dit kader krijgt is die van de sleuteldrager. Hij is de apostel die het gemakkelijkst te herkennen is: hij draagt twee sleutels. Ook mensen die veraf zijn komen te staan van het geloof en de kerk herinneren zich vaak nog wel de verhalen over die apostel die ons bij de hemelpoort zal opwachten om ons – naar wij allen hopen – open te doen.

Maar de sleutelmacht die aan Petrus is geschonken is minder romantisch dan we denken. Deze sleutelmacht staat in het teken van de strijd die Jezus om zich heen ziet: een strijd om het geluk van de mens, een strijd om de toekomst van de mens. Petrus krijgt een sleutel tot het koninkrijk in handen. Dat betekent dat juist Petrus, die soms zo wankelmoedig kan zijn, maar anderzijds overloopt van liefde en toewijding voor Jezus, heel goed de worsteling van mensen kent, die met het kwaad geconfronteerd worden.

Petrus heeft regelmatig zijn keuzes moeten bijstellen. Na het sterven van Jezus die hij verloochend heeft, moet hij opnieuw kiezen om leerling te zijn. Hij krijgt van Jezus wel de kans, maar hij beseft welke teleurstelling hij altijd met zich mee zal dragen.

Zo staan ook wij steeds weer opnieuw voor de keuze om leerling te zijn. Veel mensen in onze tijd durven het niet aan: zij hebben God en kerk afgewezen. Daar kunnen allerlei reden een rol spelen, sommige serieus, andere erg zwak. Maar zij hebben de sleutel weggegooid om hun leven een nieuwe wending te geven. Zij geven zich niet meer een nieuwe kans om de weg te gaan van de liefde die alle begrip te boven gaat, de liefde die een geschenk van Gods heilige Geest is, een liefde die mensen tot grote hoogten kan brengen. Wie zich laat meenemen door het geweld van onze tijd en onze samenleving, laat zijn hart verharden door de vooroordelen tegen mensen, tegen geloof.

Tegen die verharding streed Jezus tot op het kruis toen Hij zijn beulen vergiffenis schonk. Jezus wist die sleutel van liefde en vergeving te hanteren. En die sleutel geeft Hij nu Petrus in handen om daarmee een voorbeeld van ons allen te zijn. Kunnen wij die sleutels van liefde en vergeving hanteren, misschien wel tegen beter weten in? Beseffen we dat dit de sleutels zijn die de deur naar het Koninkrijk kunnen openen? Van de vermoorde journalist James Foley zijn teksten gepubliceerd over de kracht die hij vond in het gebed en in de rozenkrans. Ze wijzen een uitweg uit de wereld van haat. Niet dat daarmee alle haat en geweld zullen verdwijnen, maar er is een ander antwoord mogelijk.

Jezus is ons voorgegaan op die weg en Petrus is Hem als een van de eersten op die weg gevolgd. Moge het ook ons gegeven zijn om die sleutels te hanteren en de weg naar het koninkrijk te banen als leerlingen van het evangelie van Jezus Christus.

Amen.