LogoAdVanDerHelm

kaarsjes

Verkondiging 13 april 2014, Palm- en Passiezondag

Lezingen
Mattheüs 21, 1-11
Jesaja 50, 4-7
Psalm 22
Filippenzen 2, 6-11
Mattheüs 26, 14-75. 27,1-66

Intocht
Vandaag betreden we de heilige stad Jeruzalem. We begeven ons te midden van de mensen en groepen die zich rondom Jezus opstellen. Sommigen bejubelen Hem, anderen hebben ontzag voor Hem, weer anderen zijn bang voor Hem en er is een groep die Hem uit de weg wil ruimen. Wij staan om Hem heen als leerlingen van vandaag, maar voelen ons soms net zo onzeker als die twaalf leerlingen. Zij zijn voor het merendeel eenvoudige mannen uit Galilea die door de aanblik van de grote heilige stad Jeruzalem overweldigd worden. We beginnen vandaag met het gejubel: er is een nieuwe koning in aantocht, zingen de mensen. Ze weten maar half hoe waar dit is en beseffen niet hoe anders dit goddelijk koningschap is. Wij zegenen de palmen om met de mensen te juichen over deze koning die ons leven heeft veranderd. Deze koning voert ons naar het nieuwe Jeruzalem. Laten wij Hem volgen en niet bevreesd zijn voor wat zal volgen. We gaan met vreugde en met kracht en vertrouwen op de goedheid van de Heer die ons allen uitnodigt om met Hem mee te gaan.

Homilie
Slachtoffers van geweld blijven meestal onbekend. Er zijn enkele namen die in de publiciteit komen en die even de harten van de mensheid beroeren. Daarna wordt de aandacht weer gericht op het alledaagse, op de nieuwe trends van amusement, op de zorgen voor de economie, voor ons geld en goed, op de verwikkelingen van de vaak machteloze politiek. Mensen kunnen hun aandacht niet lang bij het leed van onderdrukking en geweld houden.

Vrijdagavond was er een gebedsavond in Amsterdam in het teken van de vervolgde christenen. De avond werd georganiseerd door Kerk in Nood. Er werden verhalen verteld van families en jonge mensen die geconfronteerd werden met geweld en de dood van broers, kinderen, gezinnen, het verhaal van de pater Jezuïet die sinds de jaren zeventig in Syrië werkte.

Telkens roept zo’n verhaal nieuwe emotie op, verdriet, machteloosheid, woede, opstandigheid. Namen die roepen om een gebaar, die smeken om een gebed, die verlangen naar licht. De eenvoudige gebaren van die avond in Amsterdam - een kaars bij het Sacrament en een gebed aan de voet van het altaar - lijken machteloze gebaren. Toch geloven wij dat Gods goede Geest door dit gebed de mensheid niet zal verlaten. Daarom blijven we bidden en namen noemen, al wordt de rij nog zo lang. Het lijden van onbekende mensen is niet minder omdat zij niet bekend zijn. Getallen van slachtoffers zeggen maar zo weinig, het zijn de verhalen van de individuele doden die ons ontroeren en beroeren. In de ogen van pater van der Lugt zien we hun ogen en herkennen we de gelaatstrekken van al die mensen. Daarin zien we de ogen van de hele lijdende mensheid.

Vandaag op Palmzondag en tijdens de hele Goede Week gedenken we het lijden van Christus. Zijn naam, die wij door het doopsel met ons meedragen, verbindt ons - of we het willen of niet - met alle mensen die net als Hij onderdrukt en vervolgd worden, vermoord en gedood, soms op gruwelijke wijze.

De dood van Christus herinnert ons aan onze machteloosheid. Wanneer de mens aan zichzelf is overgeleverd, dan verdwijnt het licht. Dan is de vrede flinterdun, zo dun als het eigen belang. Dan is liefde kortstondig, niet meer dan een gelegenheidsemotie. Dan lijkt het leven niets bijzonders meer waard te zijn.

Christus herinnert ons echter aan ons fundament in God dat ons leven waardevol en betekenisvol maakt. In het herdenken van het lijden van Christus vragen wij God om ons niet te verlaten in de confrontatie met het lijden van vandaag, met het lijden van de mensen van nu. We denken aan christenen, maar ook aan andere mensen van goede wil die om hun overtuigingen en meningen en om wie zij zijn vervolgd worden. Dat is onze opdracht, hun namen te noemen, en voor deze namen een licht te ontsteken. Gods Liefde maakt dat zij niet tevergeefs gestorven zijn. Christus is hen voorgegaan en brengt hen tot de verrijzenis. Wij bidden dat wij hen mogen volgen.

Amen

Verkondiging 6 april 2014, vijfde zondag van de veertigdagentijd

Welkom
Welkom aan u allen hier aanwezig en welkom aan allen die via de TV met ons verbonden zijn. Vlak voor Pasen worden we geconfronteerd met de dood van een goede vriend van Jezus. Lazarus is gestorven en Jezus deelt het verdriet van de zussen. In hun gesprek met Hem, wordt duidelijk dat God anders dan wij naar het leven kijkt. Een mens gaat nooit verloren, maar zal in Gods handen zijn. Lazarus krijgt een nieuwe kans om met zijn zussen vanuit dit geloof te leven. Een bijzonder verhaal voor onze grote groep dopelingen van Pasen: zij zullen een onderpand van eeuwig leven ontvangen.

Wij die om hen heen staan en met hen de weg naar Pasen gaan, beseffen dat we geroepen zijn dit nieuwe en volle leven van Christus uit te dragen en de wereld te tonen dat we leven uit Gods onmetelijke liefde. Laten we bidden om Gods ontferming.

Homilie
De opwekking van Lazarus is de generale repetitie voor Pasen. Het verhaal van de opwekking van Lazarus bevat vele verwijzingen naar Jezus' eigen begrafenis en verrijzenis: de zware steen, de windsels en de zweetdoek, de link naar de zalving van Jezus door Maria. Jezus huivert zelfs bij de aanblik van dit graf. Hij beseft hoe nabij zijn eigen einde is. De dood is in dit verhaal echt dood. De grote steen ligt voor het graf gerold en de dode riekt al, zegt Marta. De derde dag is echt voorbij!

Zoals bij de lange lezingen van de afgelopen zondagen, ligt het accent van het verhaal vooral op het gesprek dat door de betrokkenen gevoerd wordt. Het wonder is wel de kern, maar krijgt pas betekenis en diepgang door de uitleg van Jezus. Pas door het geloofsgesprek wordt de waarheid aan het licht gebracht die aan het wonder ten grondslag ligt. Het is vandaag de waarheid over dood en leven. Wat is dood en wat is leven?

Het verhaal van Ezechiël vertelt dat de bestemming van de mens niet het graf is, maar de vruchtbare grond van Israël, het beloofde land. Een mens is meer dan botten, pezen en spieren, hersenen en zenuwen. De mens is geest, geschapen door de Vader, geroepen door Christus en vervuld van Gods eigen heilige Geest. De initiatiesacramenten die we hebben ontvangen, doopsel, vormsel en eucharistie verwijzen naar de drie-ene God: de Vader heeft ons in het doopsel de belofte van eeuwig leven gedaan, de heilige Geest vervult ons in het vormsel met de levensadem van God en Christus roept ons steeds op om te delen in het mysterie van zijn lijden, sterven en opstanding in de Eucharistie.

Onze geloofsleerlingen zullen dit in de Paasnacht heel persoonlijk ervaren en wij die met hen optrekken naar Pasen mogen ons eigen geloof vernieuwen. Leven betekent in het evangelie leven met God, vertrouwen in zijn Zoon. De Goede Week met het drama van het lijden en sterven van Christus hoeft ons geen angst in te boezemen, want het eeuwige leven is sinds het doopsel al in ons. Het lijden van de wereld, het lijden van mensen om ons heen of van onszelf, kan pijnlijk en verdrietig zijn. Maar het zal ons niet klein krijgen. Het lijden zal ons niet het zwijgen opleggen. Als wij de stem van Jezus in ons geheugen prenten: “Lazarus kom naar buiten”, kunnen wij dit verstaan als een oproep aan ons eigen adres: “Mens, kom naar buiten. Verlaat de doodse duisternis van deze wereld en laat het licht van Christus je beschijnen.”

Als wij over twee weken een paaskaarsje in de hand houden, ontstoken aan het licht van Christus, horen wij opnieuw de stem van Christus die ons tot leven roept. Hij heeft Lazarus en Martha en Maria de weg van de verrijzenis en het leven gewezen. Hij nodigt ons uit om te delen in het leven dat de Vader Hem geschonken heeft. Dat is de vreugde van het geloof, de vreugde van het evangelie.

Amen

Verkondiging 30 maart 2014, vierde zondag van de veertigdagentijd

Lezingen
1 Samuël 16, 1b.6-7.10-13a
Psalm 23
Efeziërs 5, 8-14
Johannes 9, 1-41

Welkom
halverwege de vasten, zondag Laetare, klein Pasen. We vangen een glimp op van de belofte die voor ons ligt, een bevrijding uit duisternis en dood. Vandaag worden onze ogen een beetje geopend. Maar zien we dit ook werkelijk? Zien we het ook in ons eigen leven, dat God ons wil bevrijden van doodse duisternis? Ons beperkte leven is niet om voorbij te gaan en te verdwijnen, maar om op te staan in God.

Vandaag horen we het verhaal van de blindgeborene, tweede in de reeks van de grote catechetische lezingen uit Johannes. Vandaag opent Jezus ons de ogen door het geloof en we mogen hem herkennen als de gezondene van God. Zo kijken we ook naar de eucharistie die we hier vieren: we mogen Hem herkennen en begroeten. We keren ons tot God en vragen Hem om ontferming en vergeving.

Homilie
Geloof opent de ogen.
Mensen worden geboren met ogen die al vrij snel na de geboorte open gaan. Al vanaf de vroegste jeugd kan de mens kijken, maar het duurt soms een leven lang voordat hij echt kan zien. De blindgeborene uit het evangelieverhaal heeft ook moeite met zien. Hij wordt wel in één klap door Jezus genezen, na de doop - want daar verwijst het wassen naar - in de Siloam. Maar het duurt nog een tijd voordat hij begrijpt hoe ingrijpend deze genezing is. Ingrijpend is dat hij plotseling de wereld om zich heen kan zien, maar deze wereld gaat bovendien ingrijpend veranderen. Hij wordt uit zijn oorspronkelijke gemeenschap gezet en sluit zich aan bij Jezus. Het weerspiegelt de tijd van de vroege kerk, waarbij een keuze voor Jezus en het evangelie onherroepelijk leidt tot een breuk met het oude leven. Sommigen van ons ondervinden dit uit eigen ervaring.

Ook de leerlingen kunnen niet goed kijken. Ze zien de blindgeborene als een zondige. De verklaring van zijn onheil zien zij in de zonde. Zij verklaren de blindgeboren of zijn ouders schuldig en daarmee is voor hen het kwade verklaard en krijgt het een plek. Maar Jezus ziet het anders. Ieder mens kan uiteindelijk Gods heerlijkheid zien. Ieder mens kan uiteindelijk Gods nabijheid ervaren. Maar dan moet er nog wel iets gebeuren. Een mens moet groeien en deze heerlijkheid van God leren ontdekken. Die ligt niet zomaar voor het oprapen. Veel mensen zijn en blijven er blind voor.

De blindgeborene weet niet wie Jezus is. Ook na zijn genezing niet. Hij heeft Hem ook nooit gezien, net als wij, de gelovigen van deze tijd. Aan het begin noemt hij slechts de feiten: "Hij maakte slijk. Hij bestreek mijn ogen. Ik waste mij en ik zie." Dan zegt hij plotseling: Hij is een profeet. Aan het einde blijkt dat de man leerling van Jezus is geworden. Want hij begrijpt dat een dergelijk wonder alleen van God kan komen en dat deze man die dit wonder doet een godvrezende, een rechtvaardige moet zijn. Dan kiest hij er voor zich bij Jezus aan te sluiten.

De weg van het geloof is een weg van groeien en leren zien. De weg van het geloof leert je beter te kijken. Ook de profeet Samuel moet beter leren kijken. Hij beziet de kinderen van Jesse met de ogen van de wereld die trots is op ferme jongens, stoere knapen. Maar dat is niet wat Israël nodig heeft. Het koningschap dat nog nieuw is in Israël, dreigt te mislukken met koning Saul. Deze koning streeft meer zijn eigen macht na en die van zijn kliek, dan de macht en eer van God en het welzijn van de mensen. Dus moet Samuel kijken naar het hart, de inborst van de kandidaat. Dan ontdekt hij de ware schoonheid van de mens.

Voor ons gelovigen zijn onze ogen belangrijk om sporen van het koninkrijk te ontdekken en om tekenen van goedheid bij mensen te ontdekken. Wij moeten leren om met ogen van geloof naar de wereld te kijken. Wij hebben de verhalen over Jezus uit overlevering, de bijbel de traditie, onze gelovige opvoeding of de verkondiging in de kerk. Wij hebben Hem zelf nooit gezien. Als we ons leven goed bekijken, kunnen we daar de hand van God in zien. Dan kunnen we daar het wonder van de schepping in herkennen. Wie kan dat bedacht hebben? Wie kan dat gemaakt hebben? Wie zal dat kunnen voltooien? Dat is het spoor van God wat we kunnen herkennen en wat een beginpunt is van geloof. Dat geloof zet ons op het spoor van een nieuw leven, zegt Paulus. Het oude laten we achter ons. De duisternis laten we achter ons. We kijken voortaan met andere ogen naar onszelf en naar de wereld en vooral met andere ogen naar onze naaste.

We waren slapers en willen nu opstaan. Soms dreigen we weer in te slapen en terug te vallen in een gemakkelijk en oppervlakkig bestaan zonder licht en kleur van de hemel, een leven waar slechts kunstlicht ons de illusie geeft dat er geen duisternis is. Maar die duisternis is vaak toch meer aanwezig dan we zelf toegeven.

Slaper, ontwaak! zegt Paulus. Mogen ook wij op weg naar Pasen opnieuw ontwaken, onze ogen openen om Gods heerlijkheid te zien.

Amen