LogoAdVanDerHelm

kaarsjes

Verkondiging 25 januari 2015, derde zondag door het jaar

Lezingen
Jona 3, 1-5.10
Psalm 25
1 Korinthiërs 7, 29-31
Marcus 1, 14-20

Welkom
Welkom vandaag bij het slot van de gebedsweek voor de eenheid van de christenen. Thema is dit jaar dorst: dorst naar God. Dorst betekent ook verlangen naar eenheid, hoop op gerechtigheid. In ons geloof is het verlangen een drijvende kracht. Hierin schuilt de roeping van God, die ons in beweging brengt. Het is niet de bedoeling dat we stil vallen en ergens gaan wachten totdat het heil komt. God komt de mensheid tegemoet en het is aan ons om zo klaar te zijn, dat we hem kunnen verstaan en herkennen.

Christus betrekt de leerlingen bij dit verlangen. Hij deelt alles met hen. Nu zijn het nog zijn dienaren, maar het worden zijn vrienden, omdat Christus alles aan hen wil meedelen wat Hij van de Vader ontvangen heeft. Dat zal hij zeggen bij het einde van zijn leven, bij het afscheid. Dat ligt allemaal nog in de toekomst.

Zijn wij daadwerkelijk de vrienden van Christus die zijn verlangen delen? Vragen we God om vergeving voor onze eigen lauwheid en ons gebrek aan verlangen.

Homilie
Over de kerk bestaan veel misverstanden. Aan de kerk wordt veel macht en rijkdom toegedicht, maar ook veel fouten uit het verleden. Vele mensen hebben van de kerk een beeld, dat het het voor hen moeilijk maakt om naar het evangelie te luisteren. Wanneer naar hun geloof gevraagd wordt, zeggen ze dat ze wel willen geloven, maar moeite hebben met het instituut.

De evangelielezing van vandaag komt ons eigenlijk te hulp. Duidelijk komt naar voren wat eigenlijk de basis van de kerk is. Het woord kerk komt van Kuriakos. Het verwijst naar wat eigen aan de Heer, de Kurios, is. Het verwijst naar de mensen die bij de Heer, de Kurios, horen, die zich geroepen weten, die in hun hart de stem van Christus verstaan die mensen roept om zich voor het evangelie in te zetten.

In zijn kersttoespraak tot de Romeinse curie heeft paus Franciscus de medewerkers van de curie opgeroepen om hun oorspronkelijke verhaal niet te vergeten. De toespraak heeft nogal wat stof doen opwaaien omdat de paus nogal streng overkwam. Inderdaad was het geen eenvoudige toespraak. Het was een gewetensonderzoek waartoe de paus de medewerkers opriep. Hij sprak overigens in die tekst niet van “jullie” maar van “ wij”. Hij sprak dus ook zichzelf aan.

Het risico dat hij aanwees was dat van de routine van het leven en het werk waar we in zitten. We kunnen druk bezig zijn met de organisatie van de parochie en onze werkgroep, of druk zijn met de beslommeringen van alle dag, zodat we ons roepingverhaal dreigen te vergeten. We zijn dan inderdaad bezig met de institutionele kant van ons geloof en onze kerk. Het lijkt dan voor de oppervlakkige toeschouwer alsof er niets anders is.

De paus riep zijn luisteraars op om het eigen persoonlijke roepingverhaal weer af te stoffen en te voorschijn te halen. Ik vond dat een mooie gedachte omdat ons geloof en onze betrokkenheid bij de kerk een persoonlijke oorsprong hebben. Op die manier zetten we ons eigen verhaal op de voorgrond. De meesten van ons zijn met geloof en kerk opgegroeid en we zijn er als vanzelf in komen rollen, maar er zijn vast ook momenten geweest dat we hebben gezegd: toen was ik blij met mijn geloof en mijn kerk. Toen voelde ik me getroost, toen voelde ik me gedragen. Welk moment is dat voor ons geweest? In een viering? Bij een bepaald feest, een bepaalde gebeurtenis of een ontmoeting? Ik denk dat het belangrijk is dat we dit met elkaar delen en aan anderen vertellen. Geloof is immers niet in eerste instantie een leer en een dogmatiek, maar is het vertrouwen op God die als een vriend in ons leven met ons meegaat.

Voor mij was de ontdekking van de link tussen de liturgie en het gewone dagelijkse leven een aanleiding om het evangelie met andere ogen te lezen. Het werd een verhaal over mij. In plaats van de figuren in de verhalen, de apostelen en andere mensen, kon ik mij zelf erin terug zien. Ik kon me dan afvragen: wat zou mijn antwoord of mijn reactie geweest zijn? Wat zou ik dan tegen Jezus gezegd hebben?

Het verhaal van de roeping van de leerlingen is niet een verhaal van mensen die zich gemakkelijk over de streep laten halen. Daarom is de eerste lezing ook zo essentieel: daar hebben we een profeet die zich heftig tegen zijn roeping verzet. Hij vindt het maar niets dat hij door God geroepen wordt om onheil te verkondigen. Het doel van die verkondiging is om de mensen op te roepen tot bekering. Jona gelooft daar niet in. Hij wil de mensen geen kans bieden zich te verbeteren. Toch wordt hij gezonden en na een avontuurlijke reis geeft hij toe. Zijns ondanks komen de mensen tot bekering en wordt het onheil afgewend.

Geroepen worden door God is niet altijd kiezen voor de gemakkelijke weg. Soms gaat er een worsteling aan vooraf en voor veel gelovige mensen is die worsteling nooit voorbij. Maar ook dat kunnen we tegen elkaar zeggen. Als gelovigen hoeven we niet te doen alsof alles in het geloof vanzelf gaat. Als we ons echt verplaatsen in de apostelen die door Jezus geroepen worden, mogen we ook onze twijfel en aarzeling naar voren brengen. Hoe vaak zegt Jezus niet “Kleingelovigen, begrijpen jullie het nu nog niet?”

Laat dit verhaal over roepingen voor ons een herinnering aan onze eigen roeping zijn en mogen wij die met mensen om ons heen bespreken.

Amen

Verkondiging 18 januari 2015, tweede zondag door het jaar

Lezingen
1 Samuel 3, 3b-10.19
Psalm 40
1 Korinthiërs 6, 13c.17-20
Johannes 1, 35-42

Welkom
Wie had gedacht dat het religieus geweld zo dicht bij zou komen? Eigenlijk is het naïef te denken dat deze storm zomaar over zou waaien. De wereld is klein en alles hangt met elkaar samen. Er is in de loop van de eeuwen aan mensen en volken en religies zoveel geweld aangedaan, dat dat wel als een vulkaan moet ontploffen. Er is bij veel mensen veel boosheid en verontwaardiging gezaaid. De vruchten zijn zuur en hard en pijnlijk. De weg van het geweld is zo gemakkelijk in te slaan. Het is vaak de eerste en primaire reactie van mensen. De overvloed van wapens, waar veel mensen aan verdienen, en de overvloed aan gewelddadige taal die door mensen gebezigd wordt, helpen niet om een uitweg te vinden. Provocaties en beledigingen helpen ook niet.

Twee beelden zetten ons op een ander spoor: een kleine jongen die God leert kennen en het Lam van God dat ons een weg wijst. Laten wij dat spoor volgen en in deze eucharistie inspiratie opdoen. God die ons als voedsel nabij wil zijn, wil ons ook vandaag voeden. Vragen we God om vergeving voor onze eigen boosheid en woede en angst.

Homilie
Waar woont God? is de achterliggende vraag van de eerste lezing en het evangelie. Het is de vraag die de leerlingen aan Jezus stellen: waar verblijft u? Johannes de Doper heeft Hem aangewezen. De twee leerlingen willen via Jezus op het spoor te komen van het mysterie van God. Daarom willen ze Hem volgen. Jezus geeft geen helder antwoord. Hij nodigt hen slechts uit tot navolging en dan kunnen zij het antwoord zelf ontdekken. Zij zullen het inderdaad ontdekken vertelt het evangelie, al zal het een heel andere weg zijn dan die zij waarschijnlijk op dit moment voor ogen hebben. De weg brengt hen uiteindelijk naar Golgotha waar de vraag van Gods aanwezigheid een heel moeilijk te verteren antwoord krijgt: ook in het lijden en de ontluistering is God aanwezig.

Wie de weg van God wil gaan in navolging van Jezus Christus dient open te staan voor verassende ervaringen. De leerling van Jezus is bereid om nieuwe beelden van God te ontvangen. God blijkt heel anders te zijn dan het beeld dat we ons van Hem gevormd hebben. Dat is voor veel mensen verontrustend en daarom gaan veel mensen deze vraag liever uit de weg.

De vraag van Gods aanwezigheid komt ook aan de orde bij Samuel die in de tempel verblijft. Het is eigenlijk wonderlijk dat zo’n jongen die nota bene in de tempel woont en door de profeet van God wordt opgevoed en een uiterste vrome moeder Hanna heeft, nog zo weinig van God weet. Het maakt ons duidelijk, dat je wel veel kennis van God kunt hebben en Hem dan toch slecht kunt kennen. Kennis van het hoofd is belangrijk en een wezenlijk fundament, maar niet voldoende. Het gaat ook om de ontmoeting met de Levende God, het gaat om de ervaring dat Hij je roept en je aanspreekt, dat Hij je leven ziet en waardevol vindt. Deze ervaring is voor Samuel het eigenlijke fundament van zijn leven en van zijn taak als profeet in een cruciale veranderingsperiode van Israël.

Maar vandaag, in het verhaal van de jonge Samuel, blijkt God ondanks alles in de tempel aanwezig te zijn. Ondanks de dreiging van de tijd, ondanks de wandaden van de kinderen van Eli, is God aanwezig. Maar Hij kiest nieuwe wegen: de kleine onervaren jongen. Hij geeft de kleine jongen meteen een opdracht mee. Het Lectionarium laat deze passage maar achterwege, want het is niet bepaald een prettige boodschap die Samuel moet overdragen aan zijn leermeester Eli. Deze oude profeet is in allerlei opzicht blind. Hij is fysiek blind, maar ook blind voor wat zijn verdorven zonen doen, blind voor wat God voorheeft met Israël en de wereld. Onze wereld is vol van blinde profeten. Mensen die wel spreken, maar zonder visie, zonder geloof of vertrouwen. Zij kunnen alleen uit verontwaardiging en boosheid spreken. Laten wij ervoor waken om hen te volgen en ons hart door hen te laten verpesten en verontreinigen.

Het beeld dat Johannes de Doper gebruikt voor de aanwezigheid van God in Christus is dat van het Lam Gods. Tussen de vele beelden die in het Eerste Testament en het Tweede Testament worden gebruikt voor God, neemt dit beeld van het Lam een grote plaats in en zeker in het Johannes evangelie. Het is voor ons in deze tijd van geweld, en religieus geweld in het bijzonder, een belangrijk beeld. Het Lam is het slachtoffer, het offerdier dat omwille van het geluk van de mensen wordt opgeofferd. Dit is het beeld dat Christus geeft van de aanwezigheid van God. Dit beeld leidt bij mij tot twee gedachten.

Op de eerste plaats duidt dit beeld de geweldloosheid van God aan. Wanneer de Godsnaam -of die nu Allah is of Adonai of Eeuwige of God de Vader- met geweld verbonden wordt, dan is dat misbruik van Gods naam. Dat druist tegen de naam van God in, die immers bron van het Leven is, die Schepper is en barmhartig. Daar waar God gebruikt wordt om daden van geweld te rechtvaardigen, wordt Gods naam misbruikt. Er werd vorige week in Parijs geroepen door de twee terroristen dat zij de profeet hadden gewroken. Maar ze hadden simpelweg hun eigen verontwaardiging en misschien ook wel hun gekwetstheid gewroken. We moeten andere wegen vinden om deze verontwaardiging en gevoelens van belediging ter sprake te brengen en te verwerken en daar moeten wij antwoord op geven.

De tweede gedachte die ik met u wil delen bij het beeld van God als Lam, betekent dat God een offerdier is. God wordt geofferd. We zijn daar in onze tijd voortdurend getuige van. God wordt door veel mensen buiten de wereld gezet. Hij wordt geofferd op het altaar van de menselijke autonomie. We hebben God niet nodig, volgens velen. Wat is daar ons antwoord op?

Volgens Augustinus zou het antwoord kunnen schuilen in het feit dat de ontmoeting van de leerlingen met Jezus op het Tiende uur geschiedt. Tijdsaanduidingen zijn nooit toevallig. Volgens Augustinus verwijst dit naar de Tien Geboden. In Christus worden de Tien Geboden vervuld. Daar waar Jezus verschijnt, wordt gerechtigheid en vrede gedaan. Als God geofferd wordt als Lam op het altaar van de menselijke hoogmoed, is het aan ons om de Tien Geboden in praktijk te brengen, om niet te stelen en niet te bedriegen, om eerbied te hebben en niet te verlangen naar wat anderen hebben. Kortom onze levenswandel en ons geweten zullen getuigen zijn van God in deze wereld. Dat is de taal die de mensheid van vandaag verstaat, dat is de taal van de menswording die Christus ons heeft gegeven.

Amen

Verkondiging 4 januari 2015, Openbaring des Heren

Lezingen
Jesaja 60, 1-6
Psalm 72
Efesiërs 3, 2-3a.5-6
Mattheüs 2, 1-12

Welkom
Op deze feestdag van Driekoningen toont het licht van Christus zich aan alle volkeren. Iedereen die het wil weten, mag het horen. De boodschap van Christus is niet voor een select groepje uitverkorenen, maar voor alle mensen. Daarom volgen we het spoor van de wijzen uit het oosten. Dat de traditie er koningen van gemaakt heeft, is treffend, omdat zij leidende figuren zijn. Wij volgen hen omdat zij echt leiderschap tonen. Zij laten zich niet leiden door angst, maar door de ster van Gods liefde.

Mogen ook wij die ster waarnemen en hem volgen tot aan Bethlehem, de plek waar we Christus kunnen herkennen. Mogen wij op deze feestdag van de Openbaring des Heren geraakt worden door de boodschap van het kerstkind.

Homilie
Met Driekoningen beginnen de glitters van Kerstmis in de meeste huizen al wat te vervagen. Sommige mensen beginnen zelfs de kerstversiering al op te ruimen, terwijl in de oosterse kerken het kerstfeest eigenlijk pas begint met het feest van Driekoningen. Daar beseffen de gelovigen heel goed dat niet alleen de geboorte van dit Kind een groot feest is, maar ook de kraamvisite! Deze kraamvisite komt uit de hele wereld en dat maakt het feest zo groot: de hele mensheid wordt uitgenodigd om bij dit Kind te komen en in dit Kind de toekomst van heel het menselijk geslacht te herkennen.

Jesaja drukt het uit in termen van glans en schitter. De glimmende kerstversiering die in huizen en straten is aangebracht, is voor ons teken dat Gods licht straalt. Alle hulpmiddelen die we aanwenden om juist in de meest donkere tijden van het jaar licht te zien, maken duidelijk dat God in de duisternis van de menselijke geschiedenis zijn licht zendt. Dit licht ziet Jesaja terug in de drommen mensen die zich op Gods heilige berg verzamelen. In onze tijd zou zo’n bonte verzameling van nationaliteiten en culturen en rassen en talen op een plek een veiligheidsrisico vormen, dat beter vermeden kan worden. Voor Jesaja ligt daar juist het doel van Gods schepping, het is teken van Gods koninkrijk dat het Kind komt verkondigen. Volkeren bij elkaar vormen geen veiligheidsrisico, maar een geschenk van Gods liefde. Er breekt dan een nieuw tijdperk aan waarin volkeren geen angst meer hebben voor elkaar of oorlog voeren met elkaar, maar in vrede en vriendschap leven. Zo is het door God bedoeld.

De wijzen zijn op pad gegaan en ze hebben zelfs nieuwe wegen gevonden. Ze waren in de koningsstad van Jeruzalem aangekomen, maar vonden daar een angstige koning en een angstige stad. Het spoor van de vreugde liep daar dus dood. Het Kind was een veiligheidsrisico: koning Herodes voelde zich bedreigd. Bij hem was niets te vinden van de hoop en de vreugde waar de wijzen naar op zoek waren. Dus op naar Bethlehem! Waar ligt Bethlehem? De wijzen wisten dat ze naar die stad moesten, maar noch de koning noch de schriftgeleerden vergezelden hen om de weg te wijzen. De schriftgeleerden wisten wel de verwijzing naar Bethlehem te vinden, maar de weg naar Bethlehem was hun onbekend. Zij kunnen niet met de wijzen vergeleken worden, omdat zij de bron van hun wijsheid niet kunnen aanboren. Het is niet voldoende om de Schrift te kunnen lezen, maar je moet die Schrift ook tot jezelf laten spreken. Wanneer we op de weg van geloof gaan, betekent dit dat we een roeping willen volgen.

Deze roeping verstaan de wijzen en dat betekent dat zij de weg naar Bethlehem inslaan. De route naar Bethlehem is een geestelijke weg die niet met menselijke plaatsnaambordjes gevonden wordt, maar die door de ster van God geleid wordt. De wijzen vergeten snel hun teleurstelling over Jeruzalem, de stad van angst, en gaan naar Bethlehem, de stad van de vreugde.

De teleurstelling van de wijzen is herkenbaar: mensen en instellingen maken niet altijd de verwachtingen waar die mensen koesteren. Dat kan zelfs in onze kerk gebeuren. Veel mensen zijn teleurgesteld en hebben andere wegen in geslagen. Maar laten we ons leven leiden door teleurstelling of door de vreugde? Is de teleurstelling leidend in ons leven of staan we open voor het teken van Gods aanwezigheid in de ster? Helpen we elkaar om die teleurstelling te overwinnen en de ster weer te zien stralen? Maken we dat als geloofsgemeenschap waar?

We hebben veel mensen ontvangen met de kerstdagen. Hebben we hun iets kunnen meegeven van de kerstvreugde, hebben we hen kunnen laten delen in de ontmoeting met God zelf en laten putten uit de liefde van God voor de mensheid?

Er is veel gedoe in en rond de kerk, ook in de veranderingen in ons eigen Den Haag Noord, maar dat mag nooit de aandacht afleiden van de kern van ons geloof: de weg naar Bethlehem gaan, naar de ontmoeting met Christus zelf, die de liefde van de Vader toont. Die ontmoeting is een bron van inspiratie en kracht om op onze beurt mensen te helpen bij hun ontmoeting van God. Als de kerk een instrument is van die ontmoeting, dan zijn wij geroepen om mensen te helpen bij die ontmoeting. Ik wens u daarbij veel inspiratie.

Amen